Categorie archieven: Uit de kast gekomen

Uit de kast gekomen 6

Ik zou uit Willy HendriksMove First, think later” nog wel vijf  artikelen  op uw wepsait kunnen publiceren. Maar dat doe ik maar niet. Aan een volledig overzicht van dit kostelijke boek kom Ik niet toe. Dat wordt te veel. Ik pluk er nog maar wat uit.

Het laatste onderwerp van onze eerste aflevering was zijn pleidooi voor “trial and error” tegenover het in de theorieboeken meer gebruikelijke “look and you will see”.  Hiervan eerst nog maar een kostelijk voorbeeld:

Hendriks:  “Het lijkt erop of we dicht bij “de kip of het ei” – kwestie zitten. Je kunt gemakkelijk de “trial and error”-methode afdoen als ‘blind in de duisternis rondtasten’. Maar dan kunnen we net zo goed lachen om de zoekende  (look and you will see-) generaal, die de zwaktes analyseert in de opstelling van het vijandelijke leger, alleen maar om er tenslotte achter te komen dat hij zelf niet voldoende troepen meer heeft om ervan te profiteren.”

Willy Hendriks- Richard van der Wel (2008)

Onbewaakte stukken aangevallen door een dubbele aanval zijn een belangrijke zaak voor een ‘kijk en vind-strategie’. Maar het wordt lastiger als er nog andere tactische motieven zijn. Neem bijvoorbeeld ‘stukken op paardvorken-afstand’.  Daar zijn er in dit diagram  veel van. Daar een studie van maken, ze allemaal opzoeken, en krijg je zo een paard op de goede plek?”

Dat vindt Hendriks natuurlijk van niet.

“Als je gewoon je beide paarden in je voorstellingsvermogen zoveel mogelijk laat rondhopsen, heb je een realistischer route om niet te veel vorken te missen …..  ”  en zo  dus de winnende zet te vinden.    Probeer het eens.

  1. Ph5! En opgegeven.

In hoofdstuk 3  “Recognizing the similar” hamert Hendriks verder  op zijn aambeeld: Waarom zijn sommige zetten moeilijker te vinden dan andere?  Omdat ze gewoon minder voorkomen! Je herkent ze dus niet! (Tot ze in eigen  partij of die van anderen toch een keer bij je langs kwamen):

Hendriks stelde vast dat in het volgende diagram zijn leerlingen heel veel tijd nodig hadden om de winnende sterkste zet van wit te vinden, terwijl die toch echt niet zo moeilijk was:

Bogdanovich-Starozhilov 2010.jpg

Hij kan zelfs op verschillende momenten. Maar het is een beetje rare, want zeldzame zet. Probeer het eerst zelf!

(33. Dh1!   Met mat in enkele zetten)

Ander voorbeeldje:    Ook een rare, want zelden voorkomende aanvalszet van wit:

Aagaard-Ostergaard 2

1.Lc8

In hoofdstuk 6 “Pattern-like knowledge” doet Willy Hendriks m.i. een logisch klein stapje terug: OK, het kan i.p.v. één eerder geziene zet ook wel een een combinatie van enkele zetten zijn die je ooit eerder hebt gezien.  Een voorbeeld waar Willy Hendriks zijn standpunt mee wil verdedigen  ontleent hij aan het Konings Indisch. Hij legde onderstaande  stelling ook aan veelbelovende leerlingen voor en stelde vast dat degenen die de oplossing vonden, die ooit al eens eerder gezien hadden.  Bijna alle overige leerlingen zagen het niet! Ik kan uit eigen ervaring zeggen dat  ik dat kan beamen. Niet dat ‘veelbelovende’, maar wel het ‘ooit gezien, en nooit  meer vergeten’. Lang geleden speelde ik zelf heel veel Konings-Indisch en zag bij mijn toenmalige (tijdelijke)  club Caissa als toeschouwer bij een partij van Aad Laan hetzelfde gebeuren. Ik weet nu nog dat ik verbijsterd dacht: ‘Dat moet ik onthouden! Was ik nooit opgekomen!” Terwijl het eigenlijk best gemakkelijk te beredeneren valt! En inderdaad: nooit meer vergeten!

KI-KI

Ik weet niet zeker of zelfs Bert die zet ooit is tegengekomen in een van zijn 1010 KI-partijen.

Toch is dit een normale  KI-stelling. Zwart zal gewoontegetrouw in ieder geval gaan kijken naar Pf6 en f4 of g5!

Maar de beste zet is hier het vreemde

 12. ……. Lh6! Met op de achtergrond …..  Dh4!+

Als u nu dacht dat Hendriks met dit voorbeeldje ‘patternknowledge’ wat gas terugneemt van zijn ‘hops maar wat rond en dan herken je wel wat, als je het maar eerder hebt gezien’. Nee hoor hij herneemt zijn aanval op de geijkte denkbeelden van bekende schaakboeken waarmee hij ook uw schaak’wetten’ aanvalt:  bijv. “een loperpaar is sterker dan L+P”  en   “als wit  g4 speelt, blokkeer die agressie met g5”   en “de beste reactie op een aanval op de vleugel is een tegenaanval in het centrum”  . Dat is allemaal niet waar! Nou ja, is heel erg vaak niet waar.

Hij geeft voorbeelden van stellingen waarmee ‘aangetoond’ wordt dat die ‘wetten’ juist zijn. Maar geeft ook voorbeelden waaruit blijkt dat ze niet juist zijn!

En komt met getallen na onderzoek: hij selecteert bijv. 110 partijen uit een database waarin van een vleugelaanval gesproken kan worden en gaat na in hoeveel gevallen een tegenaanval in het centrum het beste idee zou zijn. In veel gevallen blijkt  een centrum-tegenaanval helemaal niet mogelijk, in veel gevallen slecht, enz. Uiteindelijk stelt hij vast dat het in 10 partijen wellicht een optie was en in slechts 2 partijen de beste zet!! Dit als reden om alle schaakwaarheden te wantrouwen. Natuurlijk, voor ons eenvoudige amateurs, lijkt het een beetje houvast te geven , maar ,oppert Hendriks,     “De amateur kent  de regels, de schaakmeester kent de uitzonderingen”.  En:  “mijn voorbeelden laten zien hoe eenvoudig het is om een regel te geven of een principe, en er dan wat aardige voorbeelden bij te zoeken om het te bewijzen of te illustreren.  Bijv. bij : “Wees voorzichtig met vrijpionnen” “Houd in toren-eindspelen je toren defensief”  “Loop met je koning zo spoedig mogelijk het open veld in”.

Hij schokte me met een onderzoekje naar de kracht van het loperpaar, tegenover een paardenpaar. Iemand noemde mij wel eens een ‘loperpaarfetisjist’. Zonder Hendriks had ik wel geweten!  Maar  hij vermeldt een onderzoek van ene Watson op basis van 61000 partijen waaruit zou blijken dat slechts in 53% van de gevallen het loperpaar sterker was en dus in 47% het paardenpaar. Daar gaan mijn zeldzame zekerheden!

En Hendriks blijft om zich heen meppen. Schaakleraren hebben de neiging om uit verkeerde zetten van hun leerlingen algemene adviezen af te leiden. Vaak even onschuldig als nutteloos. En soms zelfs niet eens onschuldig:

Uitdekast6

[Uit een jeugdwereldkampioenschap. Volgens Hendriks heeft wit veel winnende zetten,]

De witspeelster vertelde Hendriks dat ze Dd6 gespeeld had, om “ het eenvoudig te houden”. Dat hadden haar coaches haar geadviseerd! Daar zijn schaaktrainers goed in: generaliseren, patronen zien.

Maar het is de vraag of je zo beter leert schaken. Hoe leer je koken? En hoe leer je het best je taal? Daar zijn veel opgeschreven regels voor :  grammatica, spelling, vocabulaire.  Maar zo gaat het niet. Als een kind voor het eerst naar school gaat, heeft hij al veel vaardigheid in zijn taal. Gewoon door anderen te horen praten, zelf te praten en dan gecorrigeerd te worden, en dat alles zonder expliciet regeltjes te leren.

Ooit zei Bert Kuijer mij dat hij het heel belangrijk vond om een plan te hebben. Je mocht wel slechter staan, als je maar wel een plan had. Dat was ik natuurlijk helemaal met hem eens! Maar ook daar denkt Hendriks genuanceerder over. Hij citeert Kotov die in een leerboek een partij analyseert van Karpov tegen Polugajevsky, en het lange-termijn- plan van Karpov bejubelt en ten voorbeeld stelt. En een partij  Movsas Feigins tegen Salo Flohr.  Hendriks reageert met tegen-analyses en stelt: ‘Het zal duidelijk zijn dat dit soort volgens Kotov verreikende plannenmakerij helemaal niet realistisch is! De eerste fase is al moeilijk genoeg en het is onzin  om dan al te denken aan de volgende vijf fases.’ En “Ik weet zeker dat Flohr dat  in het begin nog helemaal niet gepland had.”  Achteraf is het gemakkelijk te bedenken en lijkt het misschien één groot plan te zijn geweest, en dat is natuurlijk lekker voor de schrijver van schaak-handboeken.  Maar het bestaat gewoon helemaal niet.

Hij waarschuwt zelfs. Kijk uit dat je niet aan je plan blijft kleven! Zo gauw je een hapering ziet of een meer attractieve voortzetting, verander je plannen!!

Vaak is het helemaal niet nodig om een diep plan te bedenken:

ciocaltea- – Najdorf, 1974.

Ander voorbeeld van een één zet-plan:

KoninsIndisch

Wits laatste zet was 13. a3 . Met de bedoeling om met b4 het paard van c5 te verdrijven naar een minder nuttig veld.  Dat voorkomt zwart met 13 ..  a4!! Einde plan.(Wit kan deze bekende manoeuvre in het KI voorkomen door eerst 13. b3! En pas daarna 14. a3 en daarna alsnog 15. b4 te spelen. Dat 13. b3  is ook een heel kort plannetje. Eerst dat maar, en daarna zien we wel weer verder.

(ES:  Zelf wist ik dat van deze stelling al 50 jaar geleden (uit ‘De Losbladige’ van Euwe) maar kreeg maar een twee keer kans om het te toe te passen. Daar heeft Hendriks het niet over. Dat je wel heel verschrikkelijk veel hebt moeten zien langskomen om er als schaakamateur in je schaakbestaan van te kunnen profiteren. Je wordt vast wel sterker van zo’n kennismaking, alleen profiteer je er maar heel zelden van. Een schaakleraar zou eigenlijk eerst moeten onderzoeken welk zetten of combinatietjes van zetten heel vaak voorkomen. En die dan bij zijn leerlingen langs moeten laten komen.)

Nu terug naar Hendriks over ‘plannen  maken’:

WH:  “Ik kan me niet de laatste keer herinneren dat ik dacht: “Laat ons een plan maken” Ik ben niet bang voor het de zondige planloosheid waar Kotov tegen waarschuwt.”

Als grapje toont de schrijver aan het eind van het hoofdstuk “Big plan, small plan, or no plan at all” een stelling waarin het het beste is om niets te bedenken! Zeker geen echt plan:

Willy Hendriks-Kick Langeweg  1994

Opgave remiseUD

“Ik spendeerde nogal wat tijd hier. Zoekend naar mijn actieve mogelijkheden, Koning naar de a-pion. Koning naar g5 hopend op h5-h6. Koning naar f8 met de bedoeling Ta7.  Maar zag dat dat alles te langzam was of onmogelijk! Dus gaf ik op! “ “Maar deze stelling is gewoon remise, als wit niets doet!  Gewoon zijn koning tussen h2 en g2 heen en weer spelen! Dan kan hij niet verliezen!  Amusant: Langeweg was helemaal niet verbaasd dat ik opgaf.“

Zo, ik stel inmiddels vast dat ik nog wel een aflevering nodig heb om wat aardige momenten uit het boek van Hendriks te destilleren, die ik u echt niet wil onthouden.

Tot de volgende keer dan maar. Waarschijnlijk hoeft u daar niet zo lang op te wachten als op bovenstaande, want de technische storing lijkt inmiddels opgeheven.

Eindcorrectie moet nog plaatsvinden.

Uit de kast gekomen, 5

Wegens nieuwe corona-belemmeringen toch maar weer even wat leeswerk voor u op de site zetten. Zien de schaakvrienden in hun ergerlijke schaakabstinentie toch nog even wat schaakstukken.  Na ‘Nieuwe Schaakcuriosa’ van  Tim Krabbé en Agdestein over Carlsen’s jeugd haalde ik destijds  ter heroverpeinzing ook uit mijn kast: “Move first, think later” van Willy Hendriks (uitgave New in Chess, 2011, nog verkrijgbaar.)  Hendriks, een Nederlandse  schaker waar u wellicht nog nooit van gehoord heeft. Maar wel een belangrijk schaakdocent, wel een  internationaal Fide-“schaakmeester”, wel met een Elo van 2450. Maar ja,  hij is vooral bekend door zijn boek. Kan dat  wel wat wezen? Als we beter willen worden in het schaken kunnen we dan niet beter de leerboeken verorberen van supers als   Euwe, Seirawan, Nimzowitsch, Fischer , en andere types van dat soort. Die zijn toch niet voor niets van een hogere standing geworden?

Nee hoor, hoeft m.i. niet persé. Ooit heb ik eens bedacht dat mensen die wel een beetje goed ergens in zijn, maar bij lange na geen toppers, iets wel begrijpelijker kunnen uitleggen dan een hoogleraar of zoiets. Een 4e klasser VWO kan vaak een brugklasser beter een wiskundeprobleem uitleggen dan de auteur van een wiskundeboek. Domweg omdat die scholier  beter begrijpt wat er moeilijk aan is. Dat stadium is een echte kei in wiskunde al te lang en te ver voorbij.

Ik vind, als alle recensenten, Hendrik’s boek heel, heel  bijzonder. Ten eerste al  omdat hij wel begrijpt dat de gemiddelde lezer niet genoeg heeft aan 1 diagram, en die er dan dus wel een bord bij moet zetten om de zettenreeks en opmerkingen van de auteur  te kunnen volgen. Wat dus bij de meeste schaakboeken zo werkt.  Dan moet je dat stoffige schaakspel weer gaan opzoeken, er een plek voor zoeken, installeren. Laat maar zitten!  Ik, toch een zeer matige blindschaker,  had dat bij Hendriks’ boek vrijwel nooit nodig. Als ik dacht “dat zie ik nu even niet meer”, was er prompt weer een nieuw diagram. Maar ook en vooral omdat de voorbeelden die hij te berde brengt bijna altijd geweldig leuk zijn en niet al te hoogdravend, maar wel to the point. Veel van zijn voorbeeldstellingen zijn zo mooi dat ik er graag nog 50 ‘hersenfitness’ – afleveringen mee zou willen vullen. Maar dan zal ik wel problemen krijgen met het auteursrecht. Maar mag een enkele misschien wel? Het is toch ook reclame voor dat boek?  

En zijn didactische aanpak is ongebruikelijk, maar interessant. Daar is over nagedacht! Aan het begin van elk hoofdstuk geeft hij eerst alle stellingen die hij gaat gebruiken in dat hoofdstuk. Zonder meer tekst dan de vermelding wie er aan zet is.  (Het liefst had hij dat ook nog weggelaten.  Omdat dat u al suggereert voor wie er iets bijzonders  aan de hand is. Het liefst heeft hij een stelling als in uw echte partij, waarin u zelf moet bedenken of er iets aan de hand is, en voor wie, of er iets bijzonders “inzit” . )  Zijn bedoeling is dat u zonder idioot lang nadenken, liefst intuïtief, bij al die diagrammen een zet zoekt. Later zult u dan wel eens vernemen wat goed is en waarom.

Die aanpak komt voort uit zijn overtuiging dat geen enkele schaker eerst een uitvoerig onderzoek doet naar de kenmerken van de stelling (zwakke velden , sterke velden, open lijnen, achtergebleven pionnen, enz.) en op grond daarvan een zet vindt. Nee, er komt een zet in je op, en je kijkt of dat wat worden gaat. En pas als je een zet hebt ontdekt, ga je misschien denken aan stellingkenmerken om alles alsnog een basis te geven. Daarom is hij niet zo gecharmeerd van schaakboeken of schaakleraren die je eerst van alles willen leren over stellingkenmerken en zo, in de hoop dat hun leerling daardoor sterker gaat schaken. Zijn opvatting is dat je gewoon  in je schaakleven heel veel stellingen en zetten moet langs krijgen, en dat je dan situaties moet gaan herkennen en dat er dan zetten bij je bovenkomen.  ‘Ik probeer dit eens. Zou dat wat zijn? Heb ik zoiets niet al eens eerder gezien?’ Waarom is een supergrootmeester zoveel sterker dan wij?  Niet omdat hij zoveel dieper denkt of zoveel creatiever is. Nee, dat is hij/zij omdat hij/zij een veel groter reservoir heeft aan ervaringen die hem/haar meer en eerder  herkenningsmomenten opleveren. Speelt talent dan geen rol? Jawel, dankzij talent heeft de grootmeester in de loop van het bestaan een veel groter reservoir aan schaakstellingen en schaakzetten opgebouwd , die meer herkenningsmomenten opleveren, dan waarover wij , eenvoudige schaakzieltjes, kunnen beschikken. (De super kon door zijn schaak’talent’ het fanatiek bezig zijn met het schaakspel gewoon niet laten.) Als ik dit lees, denk ik:  ‘Was het niet  de vader van Judith Polgar die beweerde dat zijn dochter schaakgrootmeesteres zou kunnen worden als ze maar vroeg genoeg veel schaakstellingen onder ogen kreeg. (En dus een dik boek maakte met enorm veel van zulke stellingen en zijn dochter verplichtte die zo succesievelijk  allemaal te consumeren.)  Dat iedereen een genie zou kunnen worden, ergens in, mits ….  Had die man gewoon gelijk? Is ook de door ons eerder bekeken levensgeschiedenis van Carlsen niet een bewijs dat het zo werkt?’  Dus, Martin, Frank , je weet wat je te doen staat!  Maar daarna denk ik ook: Waarom hebben dan mijn beide dochters helemaal niks met schaken. Ik heb toch echt mijn best gedaan.

Er zit wel wat in, in die theorieën van Hendriks. Ik ken clubgenoten die ervan zullen  smullen: ‘Zie je wel , je hoeft helemaal geen schaakboeken te bestuderen. Bah! Gewoon lekker potjes schaken, dan komt het vanzelf wel.’  

Maar ik houd toch mijn twijfels .  Voor de theoretische onderbouwing van zijn standpunten gebruikt hij o.a. het bij schakers welbekende  ‘ Het denken van de schaker’ (1946)  van Prof. Dr  A.D. de Groot, die ook na zijn andere baanbrekende publicaties wereldwijd wordt beschouwd als een van de belangrijkste psychologen van de 20e eeuw. Maar toch. Ook vind ik dat Hendriks soms wel wat al te uitvoerig op de  filosofische of psychologische toer gaat. Daar vond ik even een natte vinger wel nuttig. Maar toch ….

Gelukkig destilleert hij uit zijn prachtige voorbeeldstellingen toch zelf ook ongemerkt  best nog veel over “stellingkenmerken”. Ook volgens mijn  ouderwetse  opvattingen is het een leerzaam boek. Een heel mooi boek. Af en toe ook grappig.

Daar wil ik u een beetje van laten meegenieten.

Wat  voorbeelden van Willy Hendriks: ‘Move first, think later.’

Zijn eerste diagram, met de tekst waarmee hij zijn betoog begint. Ik ga een flink stuk van die tekst letterlijk voor u vertalen.

Move First 1

Trainer:  Waar gaat dit over. Wat zijn de belangrijkste karakteristieken van deze positie? Paul, heb jij een idee?

Paul: Uh, Ja, ik zou Tc6 spelen en als hij neemt heb ik Pd5.

Trainer: Ja, je komt nu gelijk met zetten. Maar laten we teruggaan naar de karakteristieken van de positie, kun je daar iets over zeggen?

Paul: Wel, uh, Tc6 dreigt op d6 te nemen. Ik zie niet wat Zwart eraan kan doen. Als hij neemt, neem ik terug en dan komt Pd5, wat kan hij dan?

Veel schaakboeken zijn geschreven in de dezelfde pedante toon als de trainer hier gebruikt. Ze zijn gebaseerd op het idee dat je niet zetten random moet proberen, maar eerst goed moet kijken naar de karakteristieken van de stelling, moet proberen een plan te maken op die basis, en pas dan moet zoeken naar een concreet ‘resultaat’ van een actuele zet.

Dat is nonsens!!

Geen schaakspeler denkt zo. Zulke auteurs vergeten dat als ze les geven zij de beste zet van zo’n stelling al weten, en ze beweren dan dat je die kunt vinden als logische konsekwentie van hun karakteristieken van de stelling. Waarvan ze alleen maar die kiezen, die leiden tot de sterkste zet, die zij al eerder wisten.”

Aldus Hendriks. Hoe gaat het dan volgens hem wel? We gaan weer uit van de diagramstelling:

 

  Move First. 1

“De meeste spelers zullen direct hun aandacht richten op de mogelijkheden van wits actieve stukken richting de zwarte koning.

Het gaat misschien zo: “1.Nf5+  Lxf5  1. Dxf5 mmm, leuk, kan misschien gevolgd worden door 3. Tc6   .  Eh,  2 ……   bxa4 valt de  Loper aan. Onprettig. Andere zetten? 1. a5 dan maar? Wel langzaam! Aha …. 1. Lxd6+ Kxd6  2. Dxf6 wint voor wit.  Dus 1. … Dxd6. Dan 2. Pf5+ Lxf5+ 3. Dxf5  dreigt 4. Tc6 maar ik geloof er niet in. Aha!  2. Tc6 direct! Dame gaat weg, dan 3. Dxf6 en op 2. … Lxc6 3. Pf5+ dat wint, yes, dat moet winnen. Zwart heeft niet genoeg voor de Dame, alles hangt. Of toch 1 Lxd6+ ?  Ziet er goed uit. Hé, waarom niet direct 1. Tc6 ? Ziet er zelfs nog beter uit!  Na 1. ….  Lxc6 2.  dxc6 komt 3. Pd5 ( valt f6 en c7 aan , is dus ook in beeld)  Of 1. Lxd6+ toch?

Zo zou iemand kunnen denken. En er zijn meer mogelijkheden. Misschien ziet iemand wel 1. Tc6 zonder de 1. Lxd6 – serie eerst te hebben gezien. Of hij ziet ze allebei niet. Als je ze wel zag, ben je al een sterke schaker!

Als we 1. Tc6 eenmaal hebben gevonden kunnen we daarna wel vast gaan stellen dat wit wint omdat zwarts Koning onveilig staat, omdat wits stukken actief zijn, wegens zwarts zwakte op de witte velden, de overbelasting van de verdediger van de witte velden (Ld7) de penning op de d6-pion, de ‘verborgen’ mogelijkheid van Pd5, enz. , enz. , enz.

In de partij gaf zwart op na 22. Tc6!”

Verderop concludeert Hendriks met vette letters “ You can not have a meaningful characteristic of a position if it isn’t connected with a (morre or less) effective move.”

Ik stop veel van bovenstaande nog even voor u in een ‘levend diagram’.




Balashov – Neto, 1982

Nog een van de vele voorbeelden van Hendriks’ redenering. Ook uit hoofdstuk 1:

“In schaakhandleidingen van dit type vind je meestal eerst een verbaal advies van algemeen karakter, gevolgd door een  (grootmeester)partij dat als ‘voorbeeld’ dient. De suggestie is dat wat de grootmeester doet niets anders is dan het zojuist gegeven advies opvolgen.

Een voorbeeld daarvan kan gevonden worden in Carsten Hansen’s boek: Improve your positional chess.   

Hansen:   ‘Je moet zoeken naar wat in onbalans is op het bord en proberen een zwakte te creëren door provocatie of door doelgericht spel”



Shirov – Kasparov

Dit voert tot een nieuwe krasse uitspraak van Hendriks:

“Op vragen als “Hoe creëer ik een zwakte?”en “Hoe counter ik het initiatief van mijn opponent?” is maar één antwoord mogelijk” Speel goede zetten!!

In het diagram van Kasparov zijn dat de zetten 1 …. g4 en 2. ….h4. Wie weet, zet die ervaring van die zetten ons ooit op het spoor van een soortgelijke h5-h4-zet of een soortgelijk tijdelijk stukoffer in een eigen partij.” 

In Hoofdstuk 2 hamert Hendriks verder op hetzelfde aambeeld:

“Look and you will see versus trial and error”

Het zal u nu niet meer verbazen dat Hendriks veel meer ziet in een Trial and Error- aanpak!

Hij gebruikt een voorbeeld uit de Step bij Step-methode van Van Wygerden. Hij zegt over die methode (ook door Martin en Bert gebruikt toen we nog schakertjes hadden in onze club) dat het een goede methode is, met een grote hoeveelheid (vooral tactische) oefeningen en goed opgebouwd, maar dat v. Wygerden een advocaat is van de ‘search and solve’- methode en de Trial-and-Error-methode  afwijst voor zijn schaakpupillen. Dat vindt Hendriks niet terecht:

  Move First 3

“Ik gaf deze stelling aan een jonge leerling:”Aha”zei ze nogal snel:  1. De3 en dan Pxc6 en Dxa7. “Erg slim”zei ik “maar misschien kan ik mijn Toren wegzetten, kun je dan evengoed winnen?” En  even later, om haar een beetje te helpen “Indien 1. De3, kan ik misschien ook wel ….  Pxd4 spelen. “   Zij: “Ach ja, hmmmm,  o nee, Dxd4 valt beide torens aan!”  En snel daarna:  “O ja,  1. Pxc6  Lxc6  2. Dxd4!”

Dit is een typisch voorbeeld van het vinden van de goede oplossing door Trial and Error!   …………………

Ik zal wel iets tegen haar gezegd hebben met opvoedkundige waarde, maar om eerlijk te zijn, vind ik zelf zulke dubbele aanvallen op dezelfde manier. Aanmodderen met verschillende attractieve zetten, en dan  “Hee, een dubbele aanval!” “

Move First4

Wim Gielen – Willly Hendriks 2001

“Net als hier: Zwart, hoewel een pion achter, heeft duidelijk een prettige keuze. Ik dacht over  23. …. Dxg4+  en over het luie 23. …..  Pc5, en toen zag ik plotseling de ”double Queen” 23. …. Df6! En dan 24. Tc1  Df3+  met torenwinst. “

Niks dus met eerst stellingkenmerken en pas daarna een zet zoeken.

Ik (Eddy) vind het allemaal wel geestig. En veel is wellicht wel herkenbaar en terecht. Maar dit zijn wel tot nog toe “tactische”voorbeelden. Ik wil nog wel eens zoeken in zijn boek naar strategische voorbeelden.

Dus u kunt rekenen op nog wel een vervolg uit dit grappige boek.

Eindcorrectie moet nog plaatsvinden.

Uit de kast gekomen, 4

Ik denk dat de voorzienigheid medelijden heeft met mij, wegens de  steeds dubieuzer kwaliteit van mijn geheugen.  Dat speelt me al mijn hele leven parten. Maar de chef daarboven, die alles ziet, helpt me vaak  een beetje. Altijd als ik  probeer iets aan de weet te komen, gebeurt er iets merkwaardigs. Een woord of begrip dat ik niet ken – iets nieuws , nooit van gehoord –  en ga opzoeken, staat de volgende dag uitgelegd in de krant. Een boek van een nog niet zo heel bekende schrijver X dat ik met mijn klas ging behandelen? Drie dagen later : “ Jongens, er stond gisteren een interessant interview met schrijver X in de krant. Toevallig hė. Moet je even lezen!”

Een week of drie geleden haalde ik een paar boeken uit mijn kast, die me wel wat leken voor de onderhavige serie. Daar waren bij

Magnus Biografie van een grootmeester”, 2014,  uitgave Thomas Rap  door Arne Danielsen  “ “Schaakwonder”, Hoe Magnus Carlsen de jongste grootmeester ter wereld  werd” uitgave New in Chess, 2004,  door Simon Agdestein,

Dat kon ik nu wel eens gaan gebruiken. Ik herlas er het een en ander van. Ja beide heb ik destijds wel helemaal gelezen. Want dat ging als vanzelf. Maar ja …..   dat geheugen …  En ja hoor, ook nu weer zijn daar ‘het hemelse gerecht’ (Vondel) , de voorzienigheid, de hoger sferen, de Providentia Dei of gewoon het toeval, weet ik veel.

Want  in het Noordhollands Dagblad van  Zaterdag 29 aug. behandelt Dimitri Reinderman  een partij van  onze jonge grootmeester Jorden van  Foreest tegen Simon Agdestein. En zondag 30 aug vertoonde de Vara de documentaire “Magnus” van Benjamin Ree op de TV.

Eerst even Reinderman citeren, die schrijft over de recente voor Nederland niet zo best verlopen online Olympiade. “De match tegen Noorwegen werd wel gewonnen en daar speelde een bijzondere speler op bord 1. Niet wereldkampioen Magnus Carlsen, maar zijn voormalige coach Simon Agdestein, die eind jaren 80 in de top-20 van de wereld stond. Dat is op zich al knap, maar hij was toen ook Noors voetbalinternational. Helaas moest hij  begin jaren 90 zijn voetbalcarriėre opgeven vanwege een knieblessure. Tegenwoordig is hij vooral actief als  coach op de Noorse sportacademie, maar af en toe speelt hij zelf nog.”    Zijn  behandelde rapidpartij tegen onze jonge grootmeester van Foreest eindigde na ongelofelijk veel vuurwerk en chaotische toestanden in remise.

Agdestein was de ontdekker van Carlsens talent, en in diens jeugdjaren zijn schaakleraar. Na wat informatie over kleuter- en peutertijd via andere bronnen, begint zijn boek eigenlijk pas echt vanaf het moment dat hij zelf Magnus ontmoette en onder zijn hoede kreeg. Dat was in 2000, toen Magnus 9 jaar was. Hij beschrijft hun samenwerking en publiceert talloze partijen van het ‘slimme ventje’ tot en met het jaar 2004. Dat was het jaar waarin Carlsen als 13-jarig mannetje de eerste grootmeesternorm behaalde bij zijn eerste echt succesvolle toernooi, in Wijk aan Zee, het Chorustoernooi. Agdestein en ook Danielsen beschrijven hoe al spoedig de toeschouwers meer samendromden voor de spelersafdeling van de C-groep dan voor de afdeling van de supergrootmeesters  van de A-groep (met o.a. Anand, Leko, Topalov, Kramnik en meer van dat type van soort).  Die C-groep was trouwens ook best nog behoorlijk sterk. Daarin bereikten  bijv. in 2004 ook Sipke Ernst en Jan Smeets  de grootmeesternorm. Maar Magnus, dat ventje waar toen eigenlijk weinigen wel eens van gehoord hadden, won de C-groep met de formidabele score van 10,5 uit 13. Ik stond toen ook zelf achter die horde belangstellenden. Ik heb in mijn fotoarchief geen eigen foto van de Carlsen van toen kunnen vinden. Omdat ik niet in de buurt kon komen wegens de enorme belangstelling, of omdat een foto niet interessant vond omdat ik nog geen flauw idee had wat dat jongetje voor de schaakwereld zou gaan betekenen? In beide boeken wordt vermeld dat Magnus met zijn vader ’s avonds in een Italiaans restaurant ging eten. En dat Magnus alleen pasta lustte!  Nou dat klopt. André Mulder en ik gingen (gaan) daar na toernooibezoek ook altijd eten. Bij Tarantella. We hebben daar ooit aan de tafel naast Anand gezeten, toen hij puber was. En ook in 2004 naast de tafel van Magnus en zijn vader. Die waren samen naar Wijk aan Zee getogen, en niet met de hele familie op reis, zoals het jaar ervoor. De zussen hadden na alle zon van hun wereldreis niet zoveel zin meer in dat kille Hollandse klimaat. Geen mens had toch kunnen bedenken dat die knul die daar een beetje ongeïnteresseerd puberaal op zijn stoel hing de latere wereldkampioen zou worden!

Ik vond nog wel mijn foto van 2006. Toen hij de B-groep won als 15-jarige. Het jaar daarop in de A-groep, bij de supergrootmeesters. In 2010 won hij die voor het eerst.

Carlsen in 2006.

Ik zal wat jeugdpartijtjes voor u diagrammeren uit het ruime aanbod van Agdestein.

Voor zijn eerste grote succes, winnaar in Wijk aan Zee 2004 groep C, moest hij dus Sipke Ernst en Jan Smeets achter zich laten. Ik laat hier volgen hoe Sipke Ernst van het bord werd gemept. Het begon rustig met lang theorie van de hoofdvariant van de Caro Kann. De opening waarvan Donner destijds vond dat dat iets was voor lafaards, en dat die opening voor zwart verboden moest worden. Omdat het allemaal te saai was. Maar Carlsen heeft geen moeite om de saaiheid aan te pakken. Na een wat mindere 17e zet van zwart gaat hij er op los. En de genadeklap  is een prachtig paardoffer dat heel precies moet zijn uitgerekend, en waar Ernst niet van terug heeft. Je kunt je zoiets toch niet voorstellen van een kereltje van 13.

Magnus Carlsen – Sipke Ernst

[pgn]
1. e4 c6 2. d4 d5 3. Nc3 dxe4 4. Nxe4 Bf5 5. Ng3 Bg6 6. h4 h6 7. Nf3 Nd7 8. h5
Bh7 9. Bd3 Bxd3 10. Qxd3 e6 11. Bf4 Ngf6 12. O-O-O Be7 13. Ne4 Qa5 14. Kb1 O-O
15. Nxf6+ Nxf6 16. Ne5 Rad8 17. Qe2 (17. Qg3) 17... c5 (17... Qb6 18. c3 $11)
18. Ng6 $1 fxg6 $2 {als altijd na een offer: neem je het aan, omdat het niet
deugt, of neem je het niet aan omdat het te gevaarlijk is. Achteraf, met hulp
van computers, was Te8 beter, maar niet echt een weerlegging van het offer.} (
18... Rfe8 19. Nxe7+ Rxe7 20. dxc5 $14 Red7 $14) 19. Qxe6+ Kh8 20. hxg6 $1 (20.
Qxe7 $2 Nd5 21. Bd2 Nxe7 22. Bxa5 Rxd4 $11) 20... Ng8 (20... Rfe8 $2 21. Bxh6
gxh6 22. Qf7 cxd4 23. Rxh6+ Nh7 24. Qxh7#) (20... Rde8 $2 21. Rxh6+ gxh6 22.
Bxh6 $18 {er dreigt Th1 en g6-g7}) 21. Bxh6 $1 gxh6 (21... Nxh6 22. Rxh6+ gxh6
23. Qxe7 {met ondekbaar mat}) 22. Rxh6+ Nxh6 23. Qxe7 Nf7 24. gxf7 $1 Kg7 25.
Rd3 (25. Qe5+ $5) 25... Rd6 26. Rg3+ Rg6 (26... Kh7 27. Qe4+) 27. Qe5+ $1 Kxf7
(27... Kh7 28. Qh5+ Rh6 29. Qf5+ Kh8 {en mat in drie} (29... Rg6 30. Qxg6+) 30.
Qe5+) 28. Qf5+ Rf6 29. Qd7# 1-0 * [/pgn]

Bij het Chorus-toernooi was ook aanwezig de organisator van het beroemde, zeer druk bezochte Aeroflot-toernooi in Moskou. Kennelijk geïmponeerd door het spel van Magnus nodigde die de hele familie Carlsen uit om naar Moskou te komen tegen zeer aantrekkelijke voorwaarden: reis en logies betaald voor de hele familie. Dat was aantrekkelijk voor allen. Na een jaar wereldreis was het geld van de Carlsens wel een beetje op, in Moskou was veel interessants te bezoeken. Wat ze graag deden. Magnus had graag bij een toernooi zijn familie om zich heen, en kon daar heel sterke grootmeesters als tegenstanders verwachten. De reis werd een succes. Carlsen speelde sterk, bereikte zijn tweede grootmeesternorm, en ook hier brak er een ‘Magnum-koorts’ uit. Enorme belangstelling van het publiek. En dat is zowiezo in Rusland in die tijd ruimschoots aanwezig bij schaakevenementen. Er zijn nog extreem veel schakers in Rusland, na de jarenlange staatssteun tijdens de communistische jaren.

Zo was men bijvoorbeeld diep onder de indruk van zijn partij tegen de geduchte grootmeester Dolmatov. Die werd in 1978 jeugdwereldkampioen, in 1979 tweede bij het Russisch kampioenschap, enz. Die stond bekend als in expert in de Hollandse Opening ( 1. d4 f5 )  Die wordt tegenwoordig niet veel meer gespeeld. Hij staat als niet sterk bekend. Ik heb wel eens gezocht naar goede varianten ertegen maar zonder veel succes. Ik kreeg het idee dat theoretici er een beetje  op neerkijken, maar dat er weinig partijen zijn die het dédain rechtvaardigen. Maar Carlsen maakte er inderdaad even gehakt van. In 19 zetten wordt Dolmatov van het bord geveegd. De media raakten er niet over uitgepraat.

Carlsen – Dolmatov

[pgn]
 1. Nf3 {0} f5 2. d3 $5 {niet erg
gebruikelijk. Carlsen heeft kennelijk geen zin in de gebruikelijke varianten
tegen een Hollands-expert. Wit bereidt dan e4 voor met g3 en Lg2. (Of speelt
na 1. d4 f5 direct e4, het Staunton-gambiet. Zelfs na 1 Pf3 fungeert e4 wel
als gambiet-pion)} d6 3. e4 e5 4. Nc3 Nc6 5. exf5 Bxf5 6. d4 {lijkt op
tempoverlies, maar dat valt hier mee} Nxd4 7. Nxd4 exd4 8. Qxd4 Nf6 9. Bc4 c6 (
9... Bxc2 $2 10. O-O {wit heeft door ontwikkelingsvoorsprong veel compensatie
voor de pion} Be7 11. Nd5 $1 Nxd5 12. Qxd5) 10. Bg5 b5 (10... d5 $2 11. O-O-O
Kf7 (11... Be7 12. Qe5 Bg6 (12... O-O 13. Qxf5) 13. Rhe1 $16) (11... dxc4 12.
Qe5+ Qe7 13. Qxf5 $18) 12. Rhe1 Qd7 13. Bxf6 gxf6 $18) 11. Bb3 Be7 12. O-O-O
Qd7 13. Rhe1 Kd8 $2 {maar alles is al slecht} (13... O-O-O $2 14. Qf4 Rhe8 15.
Bf7 Rf8 16. Rxe7 Qxe7 17. Qxf5+) 14. Rxe7 Qxe7 (14... Kxe7 15. Bxf6+ gxf6 16.
Re1+ Kd8 17. Qxf6+ {uit}) 15. Qf4 Bd7 16. Ne4 d5 17. Nxf6 h6 (17... gxf6 18.
Bxf6 {damewinst}) 18. Bh4 g5 19. Qd4 {Dolmatov geeft op} gxh4 (19... Rf8 20.
Nxd5 cxd5 21. Qxd5 Rc8 22. Bg3 {er dreigt van alles. Te veel!}) (19... Rc8 20.
Nxd5 cxd5 21. Qxh8+) 20. Nxd5 cxd5 21. Qxh8+ Qe8 22. Qf6+ Qe7 23. Qxh6 *  [/pgn]

In 2004 speelde Magnus ook mee in een snelschaak/rapid-toernooi in Reykjavik. Daar trof hij voor het eerst wereldkampioen Kasparov. De eerste partij tegen hem werd een sensatie. Magnus kwam rond de 30e zet gewonnen te staan, maar Kasparov kon met een pion minder ontsnappen in een eindspel met ongelijke lopers. Toen ik daar destijds van hoorde, dacht ik, ach ja Kasparov heeft die 13-jarige  natuurlijk onderschat en een beetje te veel risico genomen. Maar Agdestein drukt die partij af en ik heb hem (daarbij de computer veel tijd gunnend voor degelijke analyse) ingevoerd in Komodo 14. Dan vallen mij een paar dingen op: Wat spelen beiden ongelofelijk correct in zo’n 25 minuten-partij. Komodo ziet nergens ernstige fouten. En hier is echt geen sprake van onderschatting. Die knul speelt gewoon ijzersterk, en agressief. Kasparov komt daardoor slecht te staan. In de documentaire “Magnus” laten ze fragmenten van die partij zien, en het is prachtig om te zien dat Kasparov het weet.  Zijn clowneske mimiek en zijn lichaamstaal verraden verbazing en een beetje wanhoop! Na één kleine onnauwkeurigheid van Magnus kan de wereldkampioen nog net ontsnappen.

Magnus Carlsen – Kasparov


[pgn]
1. d4 d5 2. c4 c6 3. Nf3 Nf6 4. Nc3 e6 5. Bg5 Nbd7 6. e3 Qa5 7. Nd2 Bb4 8. Qc2
O-O 9. Be2 (9. Bd3 $2 dxc4 10. Bxc4 Qxg5) 9... e5 10. O-O exd4 11. Nb3 Qb6 12.
exd4 dxc4 13. Bxc4 a5 14. a4 Qc7 15. Rae1 h6 16. Bh4 Bd6 17. h3 Nb6 18. Bxf6 $1
Nxc4 19. Ne4 $1 Bh2+ (19... Be6 $5) (19... gxf6 $6 20. Nxf6+ {wordt mat} Kg7
21. Qh7+ Kxf6 22. Qxh6+) 20. Kh1 Nd6 {een missertje van Kasparov!} 21. Kxh2
Nxe4+ 22. Be5 Nd6 23. Qc5 (23. d5 $5) 23... Rd8 24. d5 Qd7 25. Nd4 Nf5 26. dxc6
bxc6 27. Nxc6 Re8 28. Rd1 Qe6 29. Rfe1 {sterk} (29. Bc7 $5 {volgens Prof Mr Dr
K en een analyse in het tijdschrift Schacknytt was dit nog sterker}) 29... Bb7
{Kasparov heeft nog tactische grappen achter de hand. Maar Magnus trapt er
niet in!} 30. Nd4 (30. Nxa5 $2 Bxg2 31. Kxg2 $2 (31. Bxg7 {en zwart zou de
ramp hebben afgewend}) 31... Nh4+ {en zwart kan dit gaan winnen}) 30... Nxd4
31. Qxd4 Qg6 32. Qg4 (32. f3 $5) 32... Qxg4 33. hxg4 Bc6 34. b3 f6 35. Bc3 $2
Rxe1 $2 36. Rxe1 (36. Bxe1) 36... Bd5 37. Rb1 {Hierna volgen nog 16 zetten,
maar het is hier wel duidelijk dat Kasparov het remise zal kunnen houden.} Kf7
38. Kg3 Rb8 39. b4 axb4 40. Bxb4 Bc4 41. a5 Ba6 42. f3 Kg6 43. Kf4 h5 44. gxh5+
Kxh5 45. Rh1+ Kg6 46. Bc5 Rb2 47. Kg3 Ra2 48. Bb6 Kf7 49. Rc1 g5 50. Rc7+ Kg6
51. Rc6 Bf1 52. Bf2 *  [/pgn]

Na afloop gaf Kasparov toe dat hij verloren had gestaan. Dat deed hij bijna nooit! En ook voorspelde hij  dat Carlsen als hij geen tegenslagen zou krijgen ooit wereldkampioen zou worden.

De 2e partij tegen Kasparov verknoeide Carlsen!   De dertienjarige reageerde achteraf met zelfhaat met de legendarische woorden:  : “Ik speelde als een kind!”

Maar het was wel een wonderkind. Over Carlsen zouden nog 20 publicaties op de website kunnen worden uitgedokterd, maar ik heb het over boeken uit mijn boekenkast, en omdat  Simon Agdestein alleen Magnus’ jeugd beschrijft tot en met 2004 , en Danielsen geen partijen opneemt, wil ik het hierbij laten.

Het was me een genoegen met die twee boeken opnieuw kennis te maken. “Schaakwonder”zal wel niet meer te koop zijn, maar “Magnus” 2014 tot mijn verrassing wel. Als e-book zelfs, inmiddls sterk afgeprijsd : 4,90 euro!

Uit de kast gekomen, 3

Ik schreef de vorige keer dat ik nog even verder zou neuzen  in “Nieuwe schaakkuriosa” van Tim Krabbé. Of ik nog wat meer leuks voor u en mij kon ontdekken. Maar het kwam er even niet van. Omdat het vreselijk warm werd, en ik daar niet goed tegen kan. Ik had nergens meer zin in. En ook wel omdat er op mijn vorige vier Corona-tijd-artikelen vrijwel geen reactie bij me was binnengekomen, althans niet van clubgenoten. Zegge en schrijve 1 (één).  Zien die clubmakkers in deze moeilijke tijden het schaken even niet meer zitten? Heeft mijn gepruts dan eigenlijk nog wel wat zin?

Maar de hitte is nu even over, mijn apathie en mijn twijfel hopelijk ook een beetje, en dus bladerde ik weer wat verder in het boekwerkje. In Hoofdstuk 3, “De gratis zet van Nimzowitsch”. En direct werd ik weer enthousiast. Wat is het toch een mooi boek!

De titel van dit hoofdstuk ontleent hij aan “Mein System”, het beroemde boekwerk van Nimzowitsch waar ik lang geleden een aantal artikelen aan wijdde. (Ik zag tot mijn schrik dat de diagrammen erbij verdwenen zijn. Daar moet ik misschien iets aan doen. Veel dom werk. Maar voor wie doe ik dat? Voor mezelf misschien.)

Nimzowitsch omschrijft dit motief – de zogenaamde ‘Zwickmühle’– op de hem eigen omstandige maar duidelijke wijze: “Der  langschrittige abziehende Stein hat die Wahl zwischen allen Feldern in der entsprechende Abzugslinie, ohne dass es ihm ein Zug kostet, also vollständig gratis” Met het eerste  van Krabbé’s voorbeelden weet  u ook vast weer wat dat was:

Torre-Lasker 1925

Lasker was enkele jaren eerder nog wereldkampioen, en ook in 1925 nog een heel sterke schaker. Maar – schrijft Krabbé- hij was een beetje afgeleid door een telegram dat bij hem tijdens de partij werd bezorgd en lette even niet goed op, en gaf zijn tegenstander een kans op een lange, maar niet zo moeilijke en fraaie combinatie. U kunt het ook! Als u het even weet. En het is niet zo super-zeldzaam. U komt het vast nog wel eens tegen.



“Een gratis zet”:  dat is hier elke torenzet omdat die steeds met schaak gepaard gaat en de zwarte koning te weinig ontsnappingsmogelijkheden heeft.  Dus mag de witte toren zijn verwoestende werk eindeloos herhalen.

Hierna volgen bij Krabbé nog 20 bladzijden met voorbeelden zulks, plus analyses, soms zeer ingewikkeld. Ik heb er nog wat uitgevist, wat me voor onze site wel leuk lijkt. Ik vermoed dat u ervan kunt smullen!

Een studie van Weenink, 1923.

Zo op het oog geen centje pijn voor wit. De zwarte pion staat wel op promoveren. Maar daar is toch eenvoudig wat aan te doen? Maar dat valt tegen, want kijkt u maar eens wat er na Ta1 gebeurt. Ha ha, dat wordt pat. Er is maar één winnende zet voor wit!



Als je ze op het spoor bent, zijn die Zwickmühles vaak niet zo moeilijk uit te rekenen. Maar je moet eerst wel even vermoeden dat het erin zit.

Het volgende voorbeeld is ook niet ingewikkeld. Maar er komen wel offers aan te pas, en u moet zich even realiseren dat Smyslov in 1957 wereldkampioen werd (tegen Botwinnik) , maar in 1935 nog pas 14 jaren oud was!



De volgende studie laat zien dat er toch vaak heel subtiel gedacht moet worden. Zoek maar eens uit welke enige zet wint in het volgende diagram. Middels een Zwickmühle uiteraard.



Nog maar eentje om het af te leren?

In boeken met oude voorbeelden kunt echt het genie Aljechin niet missen. Hij was een antisemiet, een notoir drankorgel, een nazi-bewonderaar, maar vooral een formidabele schaker met geweldige tactische bekwaamheid, en hij was heel lang wereldkampioen. 1927-1935  (O.a. wegens te veel drankconsumptie  was hij toen even niet opgewassen tegen Max Euwe)  en van 1937- 1946  ( even een missertje recht gezet) .



Aljechin,1928 – Fletcher,simultaan

En omdat ik het niet kan laten, een laatste voorbeeld uit Tim Krabbés schitterende boek  waarin nog honderden andere mooie fragmenten ( Kees Kerkdijk zou het terecht een stukje ‘Titanen-arbeid’ noemen).

Leuk is hier ook dat de 13- jarige Robert Fischer hiermee een van de sterkste Amerikaanse grootmeesters versloeg. Hij slaat niet direct de loper op b6 (dan kan wit daarna op c3 een paard terugnemen), maar met zijn zwickmühle zorgt hij er eerst voor dat het paard op c3 door de loper op g7 gedekt staat, en daarna wint hij het stuk.



D.Byrne – Fischer

Ik stop maar met Krabbé’s boek. Ik ga het terugzetten in de kast. Voor nog veel meer dergelijke onderwerpen en voorbeelden zult u “Nieuwe Schaakkuriosa”zelf moeten bemachtigen. Het is is helaas uitverkocht, maar antiquarisch of in de bibliotheek? Een aanrader.

eindcorrectie moet nog plaatsvinden

Uit de kast gekomen (2)

Als beloofd nu mijn hengel uitgeworpen in “Mysterieuze krachten in de toren” van Krabbé’s “Nieuwe Schaakkuriosa”. Maar de vangst viel een beetje tegen. Daar kon Tim Krabbé  niets aan doen. Was gewoon mijn  schuld. Deze vijver is echt buitengewoon rijk en bevat informatie die zelfs voor grootmeesters uniek is. Hij bevat vooral theorie over hoe, als mogelijk,  aan de dolle toren te ontsnappen. Met analyses die vele bladzijden per stelling in beslag nemen. Buitengewoon. Waarschjjnlijk theorie  die nergens anders te vinden is. Maar …..  te moeilijk voor mij, en ik vrees ook voor u.  Ik wilde wat eenvoudige witvisjes vangen voor de kat, maar kreeg  een zeldzame zeelt-soort  aan de haak, zonder enig idee hoe daar iets smakelijks mee te bereiden. Ik ben tenslotte geen chef-kok-schaker.  Dus eerst maar even via de google-winkel  wat simpelers besteld om aan u voor te zetten. Daar begin ik mee. Wat me wel voor ons , eenvoudige consumenten, ook  smakelijk lijkt van Krabbé zal ik daarna  aan de orde stellen.

In     chessgames.com   vond ik een buitengewoon grappig voorbeeld van een ‘dolle toren’. Dat is een toren die niet geslagen mag worden omdat de stelling dan pat is en je de winst dus op je buik kunt schrijven. Haast onvoorstelbaar dat zo’n stelling dan remise is. Dit soort stellingen is niet zeer zeldzaam. Omdat een normaal mens zoiets niet ziet aankomen. Ook hier was het motief best te voorkomen geweest, en de winst niet moeilijk, maar ja wie rekent nu op zoiets. Grünfeld in ieder geval niet . Dat was toch ook geen kleine jongen. Won vele toernooien en was de vaste 1e bord-speler van het schaakteam van Oostenrijk.

Janovski-Grünfeld, 1925



In één van de bloedstollende partijen in de diverse matches om het wereldkampioenschap tussen Kasparov en Karpov dreigde ook even een remise in verloren stelling door een dolle toren van Karpov. Maar hier laat Kasparov even zien dat die vlieger hier niet opgaat. Karpov verliest.Dat deed hij niet zo vaak.

Kasparov-Karpov 1985



Tom Krabbé besteedt 40 bladzijden aan dit onderwerp. Met zeer uitvoerige analyses, en talloze voorbeelden. Geeft veel theorie over mogelijkheden om aan de dolle toren te ontkomen. Zeer ingewikkeld!

Hij stelt vast dat er veel fouten worden gemaakt. Door schakers die de dolle toren niet zien aankomen. En door schakers die niet zien hoe ze in hun stelling nog kunnen ontsnappen,

Enkele van zijn voorbeeldjes die wij, eenvoudige zielen, misschien nog kunnen volgen:

Smejkal (Elo 2500) met zwart,  gaf ten onrechte de volgende stelling op tegen Sax (Elo 2600)

Hij overzag dat hij in wezen drie dolle torens had!



Ook in de volgende partij Wockenfuss (2257) – Andersson (2550)  overzag  wit het motief van de dolle toren. (Grappig dat ook Komodo 10 het eerst niet ziet! Maar geef hem veel tijd en dan gaat hem ook een licht op!)



Hier laat ik het maar even bij.

Wat we er in ieder geval van kunnen opsteken: Kijk ontzettend uit als je in de buurt van een toren- eindspel raakt, waarin een koning zodanig omsingeld is dat hij pat kan komen te staan. Ook niet op een manier die je eigenlijk niet voor mogelijk houdt.

Ik ga nog even verder bladeren in “Nieuwe schaakkuriosa”. Vind ik nog wat lolligs, dan merkt u dat wel. Anders trek ik wel een ander boek uit mijn kast. Keuze genoeg.

Eindcorrectie moet nog plaatsvinden.