Gisteravond was er toch wel een beetje iets bijzonders aan de hand. Er waren maar liefst zestien schaakenthousiastelingen op komen dagen en het was dus “volle bak”. Acht borden bezet maar er hoefde net niet naar het toneel uitgeweken te worden.
Ron – Thomas (½-½)
Toevallig had ik afgelopen week een discussie met twee behoorlijk goede schakers over de zet 2. Pe4 in de Trompowsky (1. d4, Pf6 2. Lg5). De een vond deze zet helemaal niks en de ander prima. Zelf begrijp ik heel goed als iemand het prettiger vindt om bijvoorbeeld 2. c5, 2! d5 of 2. e6 (Karpov) te spelen. Laten we het er maar op houden dat het goed is dat sommige mensen schaker in plaats van rij-instructeur zijn geworden!
Ik werd tegen Ron ingedeeld en had me na een verloren KNSB-partij voorgenomen wat scherper te spelen zeker omdat je tegen Ron vooral met zwart als je niet oppast, snel het gevaar loopt in de verdediging te worden gedrongen.
Dat het echter zo snel explosief werd op het schaakbord, had ik nu ook weer niet verwacht…
Stelling vóór 7. c3
Na het onnauwkeurige 7. c3 ipv het actievere 7. Dd2 kon ik met een tijdelijk pionoffer al snel het initiatief pakken.
Stelling vóór 10…Dh4+
De zwakte op de “Narrenmat-diagonaal” e1-h4 speelde wit behoorlijk parten. Helaas verzuimde ik 10.. Dh4+ wat tevens wit de rochade ontneemt.
Maar ondanks dat bleef ik een prettig voordeel houden. Hoewel Ron na de partij aangaf dat hij op bepaalde momenten dacht te gaan winnen, was het volgens de engine vrijwel de gehele partij zwart die aan het roer stond. Maar toegegeven, Rons droom was bijna uitgekomen want na 15. g4 dacht ik serieus na over 15..hg3ep gevolgd door Lh6+?? Dat zou een duur schaakje zijn geweest! Een visualisatie fout heet dat dan ..
Stelling vóór 24. c4
In het vervolg had ik het gevoel wit te gaan overspelen maar Ron hield bekwaam allerlei onderhuidse dreigingen in de stelling en zijn laatste zet 24. c4 wordt afgekeurd door de engine maar deed mij juist twijfelen aan mijn winstkansen omdat het schaakveld d5 voor het paard vrijkomt en ik voor hem ook tactische kansen zag.
Met de voldoening dat ik in ieder geval weer eens mijn tanden had laten zien, nam ik Rons remise aanbod aan.
Paul – Marc (½-½)
Geschreven door Paul
Mijn partij tegen Marc. Het ging gelijk op. In de analyse samen met Frank zagen we de winnende zet.
Stelling vóór 36. Dxf8+
Op zet 36 had ik eerst de pion op g6 moeten nemen.
xDg6. – Kd8
xTd7. – xKd7
Dg4 en toren winst.
Ernst – Maurice (1-0)
Wat zowel in deze partij een rol speelde was de ontstane materiaalverhouding van licht stuk tegen meerdere pionnen.
Eigenlijk is mijn indruk dat in de boeken over de theorie van het schaken dit onderwerp niet heel vaak belicht wordt. Wat ik er zelf met mijn boerenverstand over kan zeggen is dat het, er van uitgaande dat de materiaalverhouding ontstaat in het middenspel, een verschil uitmaakt in welke fase van de partij men zich bevindt.
Indien na een algehele afruil de ene partij het stuk overhoudt en de andere de pionnen, dan zal de pionnenpartij de beste winstkansen behouden vanwege de mogelijkheid dat een van de vrijpionen promoveert. De partij met het stuk moet het hebben van een rare blunder van de tegenstander.
Dus zolang er nog stukken op het bord staan, moet de partij met het stuk meer de dynamiek van de stelling benutten. Een belangrijke factor is voor beide partijen de compactheid van de pionnenstructuur.
Ook de ontstane open lijnen winnen in deze fase aan belangrijkheid. Beide partijen geven een goede illustratie van deze factoren in werking.
Gezien het bovenstaande lijkt het me een goed idee om een aantal praktijkvoorbeelden te behandelen tijdens de eerstvolgende lesavond, naast andere suggesties die uiteraard ook welkom zijn. Dan wordt het verhaal ook meteen minder abstract. Ik vond beide partijen wel erg boeiend om na te spelen!