Uit de kast gekomen (1)

Uit de kast. Een uitdrukking. Ja, met meer betekenisen. (‘Taal is zeg maar ook mijn ding!’) 

Eerst letterlijk. Ik hoop niet dat ik iemand op de kast jaag, als ik boud beweer dat mijn kast nog steeds zeker veel meer schaakexemplaren  rijk is dan er bij u op de plank staan. En dan te bedenken dat ik vijfentwintig jaar geleden de helft ervan met bloedend hart  aan sc Caïssa  heb weggegeven, omdat ik ruimte moest maken. Ik had natuurlijk kunnen gaan verhuizen, maar dat trok me totaal niet. Dat gaat veel geld, energie en tijd kosten, en dat alles investeerde ik liever in o.a.  de beoefening van het edele schaakspel.

Figuurlijk: ‘iets toegeven dat je tot dan toe verzweeg omdat je vreesde voor de domme reactie van je medemens.  Ja, ik moet nu wel toegeven dat ik mijn boekenkast schaakboeken heb staan die ik slechts gedeeltelijk heb gelezen. Dat geldt niet voor toppers als de autobiografie van Benkö, de vuistdikke biografie van Keres,  Euwe’s ‘Oordeel en Plan’,  Averbach’s ‘Wat iedere schaker van het eindspel moet weten’. Om er een paar te noemen waar ik met vertedering aan terugdenk. Het was natuurlijk de bedoeling dat ik er sterker door zou gaan schaken. Ik denk niet dat dat gelukt is. Nou ja, misschien een klein beetje, …..   een verdomd klein beetje. Waren ze het geld en al die energie wel waard ? Ach… het hield me van de straat. Achteraf denk ik wel eens dat veel van die lessen van schaakhoogleraren je van het kastje naar de muur stuurden.

Ik vrees uw hoongelach als ik toegeef dat ik sommige boeken helemaal niet gelezen  heb. Gekocht uit hebzucht, weggezet voor later, als ik meer tijd zou hebben. Dat zou dus nu moeten zijn. Wegens Corona! Eindelijk ben ik uit de kast gekomen! En zij ook, hèhè, dat lucht op!

Er zijn nu  geen wekelijkse partijen van u meer, en omdat ik uw ‘ouwe kost’  al eerder heb benut, moet ik andere inspiratiebronnen zoeken. Goed idee: mijn boekenkast! Kijken wat er uit de kast komt.  Voor het eerst lezen, ten dele of geheel, soms herlezen. Zoeken naar iets wat misschien voor u de moeite waard is. Genoeg voorraad voor een nieuw serietje.

Ik begin met Tim Krabbé ,  ‘Nieuwe schaakcuriosa’. (1977).  Veel later door mij  antiquarisch aangeschaft. Mijn nieuwsgierigheid was gewekt doordat er vaak in schaakkolommen uit geciteerd werd. Ook zijn eerdere ‘Schaakcuriosa’ (1974) werd vaak genoemd.

Beroepsmatig was Tim Krabbé toen ook voor mij van belang. Hij was vooral ook een literair auteur. Vooral zijn boekje ‘Het gouden ei’ vond bij mijn leerlingen gretig aftrek. Het was dun, behoorlijk spannend en het was ook verfilmd en hun leraar Nederlands vond het geschikt voor de examenlijst. Leerlingen die van wielrennen hielden, lazen om dezelfde redenen ‘De renner’, waarin Krabbé verslag uitbrengt van een door hem met enig succes verreden wielerwedstrijd in Frankrijk.  De hobby’s  van deze (meermaals bekroonde) schrijver:  wielrennen en schaken. (Zat als schaker  lang bij de top 20 van Nederland).

Zijn ‘Nieuwe schaakcuriosa’  bevat een schat aan partijen, stellingen, anecdotes die om de ene of de andere reden grappig of interessant zijn. Maar het is te veel, en vaak ook zijn de analyses te moeilijk en te diep om het achter elkaar uit te lezen. Dat gaat er nu zeker niet meer van komen, want mijn ogen zijn te slecht geworden om dat akelig kleine en te grijzige lettertje lang achter elkaar te kunnen verduren.  Maar ik kan er nog wel een paar grappige dingen uit vissen. Je hebt in die rijke vijver namelijk bijna altijd gelijk beet.

Ik ga hem letterlijk citeren, maar zijn analyses in bewegende diagrammen voor u leesbaarder maken.

Uit hoofdstuk: “Te mooi om niet waar te zijn”.

“Echte massasuggestie zoals deze, waarbij een groot publiek gedurende lange tijd voorbijziet aan heel simpele mogelijkheden, komen niet erg vaak voor. Een geval waarbij de collectieve begoocheling vroeg gesignaleerd, maar vervolgens weer vergeten werd is het volgende diagram:

TietzRamisch

   TietzRamisch 1898

Een stelling die in de meeste handboeken opduikt. De fantastische oplossing is:



Parbleu! Maar nooit heb ik in die handboeken er de aantekening bij gezien die Weenink al in1914 naar de redacteur ‘Partijstellingen’ van het Tijdschrift der Nederlandsche Schaak Bond stuurde. Weenink merkte op dat zwart helemaal niet gedwongen is om de Dame te slaan en dat het na  2. …Kb7 zelfs de vraag is of wit wel gewonnen staat.



De redacteur Strick van Linschoten, meende die winst toch te kunnen aanwijzen:



Maar hij gaf toe dat weer een andere opmerking van Weenink een eventuele discussie daarover overbodig maakte, want na 1. Txc6 kan wit gewoon een stuk winnen!:



Er is overigens nog een grotere fout, waar Weenink niet op wees, omdat Strick van Linschoten de stelling na 1. Txc6 Kxc6 had gepubliceerd. Maar in ons uitgangsdiagram wint   1. Dc2 !! ( i.p.v. Txc6) minstens een toren omdat er anders nog veel meer materiaal verloren gaat.



De verklaring van het vergeten van dit alles: liefde maakt blind. De oorspronkelijke oplossing van Tietz-Ramisch is te mooi om niet waar te zijn.”

Hierna vertelt Krabbé dat hij zich wel een poos heeft afgevraagd of ook dit geen ‘mystificatie’ was. Hij geeft in dit hoofdstuk meer voorbeelden  van zogenaamd echte partijen of stellingen, die in werkelijkheid  ordinair verzonnen zijn, om op de lezer indruk te maken.   Zelfs Aljechin deed zoiets! Meermalen zelfs!

En Tietz  was geen supersterke schaker, beetje van hoofdklasseniveau. maar in zijn partijen komen heel veel dameoffers voor. En veel van die dameoffers waren zo probleemachtig fraai, dat Krabbé begon te twijfelen. Maar, schrijft hij, hij is van dat idee teruggekomen. Nadat hij had vastgesteld dat Tietz op dezelfde dag jarig is als hij! (Ik vermoed dat u dat niet zo’n sterk argument vindt.   Maar ja, Krabbé’s boekje is niet alleen erg informatief, maar ook vaak grappig!)  Hierna volgt nog een voorbeeld van zo’n dameoffer. Ik zou het zo bij Hersenfitness kunnen plaatsen.  Ik zou zeggen, kijk eens of u het zo  kunt vinden, zonder te spieken.

Roland-Tietz , 1902

Zwart speelt en zet geforceerd mat



en mat via Lf8 of Pf5 is niet te voorkomen.

En onderwerp dat mij zelf altijd fascineerde  is het ‘dolle toren’-motief. In Krabbé’s boekje staat een hoofdstuk “Mysterieuze krachten in de toren”   Vast ook een rijke vis-stek. Daar ga ik volgende keer maar eens  de hengel uitwerpen.   Voorlopig:  “Poppetje gezien, boekenkastje dicht”