Ronde 7, 30 oktober

Korte zitting vanavond, omdat Martin nog geen tijd had, en Frank verhinderd was, en Paul oneven. De computer bepaalde voor de rest:  de kampioenen tegen de aanstormende talenten. Die laatsten waren eigenlijk alle drie al snel kansloos.

Ab (wit) probeerde het weer met zijn drierijen-systeem,

7Ab1 7Ab1

de in de Beemster inmiddels wel bekende Hauer-Eröffnung, een van de zogenaamde ‘flankopeningen’.  

(A. Hauer was een begaafde leerling van Reti  (1889 – 1928), en tot leering ende vermaeck hier een fragment uit Wikipedia bij trefwoord Reti: “Het hypermodernisme is een stroming binnen de schaaktheorie die stelt dat het centrum niet moet worden bezet met pionnen, maar dat het vanaf de vleugels moet worden beheerst. Op die manier wordt de tegenstander uitgenodigd zijn pionnen in het centrum te plaatsen, die vervolgens kunnen worden aangevallen. Kenmerken van dit spel zijn het fianchetto en "pionnenstoten" waarmee het centrum van de tegenstander naar voren wordt gelokt in de hoop dat het centrum te "uitgestrekt" wordt en makkelijk kan worden vernietigd. Het hypermodernisme ontstond in de jaren 20 van de twintigste eeuw onder aanvoering van Richárd Réti en Aaron Nimzowitsch. Het was een reactie op de rigide (en in de ogen van de hypermodernisten dogmatische) ideeën van de klassieke school van Siegbert Tarrasch, die begin twintigste eeuw het schaken domineerden. Aljechin liet zich hierdoor inspireren voor zijn Aljechin-opening ( 1. e4  Pf6 ) “

Maar bij Hauer duurt het meestal iets te lang voordat die ‘pionstoten’  op het bord verschijnen. Reti pakte het altijd iets actiever aan :

_________________________________________________________________________

Bijv. :  Richard Reti – Efim Bogoljubov (1924)

1.Nf3 d5 2.c4! e6 3.g3 Nf6 4.Bg2 Bd6 5.0–0 0–0 6.b3 Re8 7.Bb2

 Reti1   reti1

Nbd7 8.d4!

________________________________________________________________________________

Dit is ook een dubbelfianchetto, maar met wel 2. c4 en 8. d4.   Ab komt pas op zet 11 met de ‘pionstoot’:

7Ab2  7Ab2

Beter laat dan nooit :  11. e4! En hij zou na 11. c5! ietsje minder staan. Maar dat is de prijs die Ab duidelijk graag betaalt voor het omzeilen van bergen theorie van ‘echte’ openingen. Bert speelt 11. …  c6 waarna de stand vrijwel gelijk is. Wat in principe wel mooi is als je zwart hebt. Als echter hierna Ab toch verder volhardt in gebrek aan echte actie krijgt hij last van dat zware zwarte centrum waaraan hij zijn belangeloze medewerking verleende.

7Ab3  7Ab3

13. .. fxe4! 14. dxe4  d4!  Dat was de bedoeling toch! De pionnen van dat zwarte centrum zich  te ver naar voren laten wagen en dan aanvallen. Jawel, maar dat blijkt hier nog niet echt eenvoudig. 15. Pe2 Pg6  (Tad8!?)

7Ab4 7Ab4

En nu zou  16. c3  konsekwent zijn geweest! Maar na 16. … dxc3 17. Lxc3  Td8 krijgt zwart een vervelende druk op de open d-lijn.  Wit probeert het maar met 16. c4  Wat weer het bezwaar heeft dat pion d4 daardoor een gevaarlijke vrijpion wordt!  Voorlopig niet en waarschijnlijk nooit meer onschadelijk te maken. Wit krijgt het moeilijk.

Even later:

7Ab5  7Ab5

Eindelijk rocheren. Kort of lang? Of helemaal niet? Ab zal weinig vertrouwen gehad hebben in zijn koningsstelling met f3,g3,h3. Probeert het dus maar met 0-0-0. Misgegokt. Na korte rochade staat wit ook moeilijk, maar viel er nog wat te spelen. De damevleugel is nog tochtiger.  Zwart valt onmiddellijk aan met a5, b5. Zwarte dame en loper staan al lekker op die damevleugel gericht. Spoedig stort de witte stelling krakend ineen:

7Ab6 7Ab6

23.Db1 (wat anders?)  c3 (stukwinst) 24.Pxc3 dxc3 25.Lxc3 Tb8 26.Pb3 (stukverlies) Lxb3. Wit geeft op.

Een nederlaag tegen Bert is geen schande. Maar eigenlijk ging het in de opening al verkeerd. Daarna hoefde Bert er niet heel veel energie in te stoppen. Tijd voor Ab voor een kleine koerswijziging in zijn flankspel.

 

Bij Peter (wit)  ging het tegen Gerrit ook al vrij vlot een beetje mis.

Na 1. e4 e5 2. Lc4 (het zgn.‘loperspel’) Pc6  3. Pf3 Le7  4 d4 exd4 5. Pxd4

7Gerrit1  7Gerrit1

staat het nog prima voor wit. Dit is een gewone opening voor gewone mensen. Maar nu 5…. Pe5 staat nog wel in mijn database, maar ziet er m.i. verdacht uit. (Je zou toch denken dat Gerrit hier zelfs slapend zijn Philidoriaanse zet 5. … d6 zou spelen. Maar nee dus!)   Na eerst 6. Lb3 schreeuwt de stelling om 7. f4! Met tempowinst. Wit staat beter. Maar hier maakt Peter een strategische fout: 6. b3 ???

Ik jat tussendoor weer even iets uit Wikikedia:  Het loperspel, dat  valt onder de open spelen.  De opening werd al in de 15e eeuw beschreven door Luis Ramírez de Lucena in zijn boek Repetición de Amores y Arte de Axedrez, en de opening werd hoog gewaardeerd door de 18e-eeuwse schaakmeester Philidor. (Een verre voorvader van Gerrit.) Met 2. Lc4 in plaats van het meer gebruikelijke Pf3 behoudt wit de mogelijkheid om met verwisseling van zetten het koningsgambiet (2. f4 of 3. f4 ) te spelen. De opening wordt ook wel gespeeld om het Russisch ( 1. e4 e5 2. Pf3 Pf6) te vermijden.’

7Gerrit2  7Gerrit2

Met 6. … Pxc4 7. bxc3 heeft zwart het loperpaar, en wit een dubbelpion. Het kan allemaal nog wel (wit heeft wel wat pionnen al in het centrum, en zwart nog niet) maar voor zwart wordt het nu vrij eenvoudig om plannen te bedenken.  7. …  Lf6! 8. c3  d6 en zwart staat wat beter. En dat wordt er in de komende 10 zetten niet beter op. Peter doet wel heel erg prijzenswaardig zijn best om actief te spelen, maar verliest een pion, en heeft te veel zwakke punten in zijn stelling om zijn aanvalletje kracht bij te zetten’  Stelling na zet 19. ….. Te8:

7Gerrit3  7Gerrit3

Een ‘loperpaar’ is sterk in ‘open stellingen.’ Dat is hier het geval. Bovendien doet die witte loper op b2 nog niet mee. Pion e4 is zwak (‘achtergebleven pion’) en veld e5 is t.z.t. een mooi veld voor zwarte loper of zwarte toren. Als dan wit met al die sores aan zijn hoofd,  ook nog even vergeet dat z’n toren op h6 wel staat aangevallen, gaat het hard:

7Gerrit4  7Gerrit4

Een grappige zet is hier 22. c4!?  , want  22. …  dxc4  23. Pc6!?  (of  22. …. Lxc4 23. Pc6!?) is niet helemaal voldoende, maar brengt nog leven in de brouwerij. (De grap is dat de loper op b2 ineens tot leven komt.)   Maar Peter speelt 22. Dh3?? En verliest na 22. … gxh6 23. Dxd3 dxe4 een kwaliteit (toren tegen loper) en ook nog een pion.

Gerrit blijft hierna goed wakker, maakt geen enkele fout, en wint. Peter hoopte natuurlijk op een foutje van zwart, maar dat blijft uit. Na afloop opperde  Gerrit een beetje: “Stond wel gewonnen , maar het duurde nog wel 20 zetten. Maar hij had wel eerder kunnen opgeven!“  Toen was zwarts pluspion op de a-lijn gepromoveerd.

 

Herman (wit) tegen Ron:

Na een minder goede 4e zet  1. d4 Pf6 2. Pf3 c5 3. dxc5 e6

7Ron1  7Ron1

4. Le3?   (Maar wel goed om te onthouden, het slaan van die pion op c5  (3.  dxc5)  is wel redelijk, maar het verdedigen van die tijdelijke pluspion op c5 heeft niet veel zin! Ook 4. b4 is niet goed, wegens 4. … a5!  Meestal wordt hier 4. c4 gespeeld, gevolgd door 4…. Lxc5  5. Pc3

Een beetje gedwongen door de immobiliteit van de koningsvleugel t.g.v. Le3 gaat wit lang rocheren. En toch verbaast het me elke week weer hoe Herman zonder al te veel ervaring toch best vaak de grote lijnen van het spel een beetje begrijpt. Maar de details willen nog niet altijd goed uit de verf komen.

7Ron2 7Ron2

Door die ongelukkige openingszet 4. Le3 (i.p.v. c4) is pion e2 geblokkeerd, heeft wit nu dus wat moeilijkheden met zijn koningsloper, en hij heeft minder pionneninvloed in het centrum. Zwart staat beter dus. Wit probeert ruimte voor pion e2 te maken (en dus zo later ook voor Loper f1)  met 8. Lf4. In principe geen slecht idee, ware het niet dat door wits tijdverlies met dit alles zwart het eerst  in actie kan komen en nu al gaat zeuren:   8.  … Pce4! 9. De1 (Dame stond aangevallen en ook veld f2. Eerst ruilen van een stel paarden is iets beter, maar veel scheelt het niet en verandert weinig aan de problemen van wit.) 9. .. Lb4  Ook dat nog.

7Ron3 7Ron3

Wit zit nu al in grote moeilijkheden.  10. Td4 Het helpt niks, maar hij verzint het toch maar. Da5!  (Lxc3!?)

7Ron4 7Ron4

Het beste kan wit nu maar een kwaliteit offeren (11. Txb4). Dan valt er nog wat te spelen. Maar Herman ziet het waarschijnlijk niet meer zitten, is in de war geraakt, en speelt 11. Kb1 wat niets zinvols teweegbrengt.  11. … Lxc3 12. Dc1 Lxd4  Zwart staat inmiddels een Paard en een Toren voor, dus het is wel voorbij. Een demonstratie van het belang van de opening.

En toch. 

Herman speelt 12. Dc1 .  Waarom?  Omdat het naar verhouding de beste is !! Wat Herman dus waarschijnlijk wel zag, is wat hem boven het hoofd hing na het volgende, voor de hand liggende    12. bxc3.   ???   Leuk om nog even naar te kijken:

7Ron5  7Ron5

12. …..  Pxc3+  ! 

13.  Kb2 Dxa2+ 14. Kxc3 Tc8+  15. Kd3 Dc2+  16. Ke3 Pg4 mat

13.  Kc1 Da3+  14.  Kd2 Pfe4 en ook hier kan groot materiaalverlies of mat niet ver weg zijn.

13.   Ka1  Dxa2 mat

En als Herman daar de details niet van zag, dan werd hij geleid door zijn intuïtie, en die is dan best in orde.  Maar ja, met alleen intuïtie red je het zelden tegen Ron. 

Na 12. Dc1 Lxd4 13. Pxd4 Pf2 staat zwart een Toren en een pion voor.  Herman frummelt nog 15 zetten door, maar is natuurlijk kansloos.

 

Zo, dit was voorlopig de laatste ronde met serieus schaak. Volgende maand 4 maandagen rapid. Hopelijk met wat gasten van elders.

Eindcorrectie heeft nog niet plaatsgevonden.