JAN HEIN DONNER, 1

Mijn  artikel over Münninghof besloot ik met de aankondiging dat ik het ook nog wel eens over Jan Hein Donner wilde hebben. Bij dezen. De biografie door A.M, van Donner,  is inspirerend, en gedegen. Ik heb er veel wetenswaardigheden van opgestoken. Met enkele daarvan ga ik u vermoeien. Ik ben wel een beetje bang dat het niet zo boeiend zal zijn voor lieden die in 1980 nog niet eens of nog maar net in de wieg lagen of die daar toen nog maar zo kort tevoren  uitgekropen waren dat ze nog niet aan een serieus partijtje  schaak toegekomen waren. Als ze dan ook nog niet gezegend zijn met wat historische belangstelling dan kunnen ze misschien  een deel van dit verhaal beter overslaan.

Er waren lang maar twee grootmeesters in Nederland.  Jan Hein Donner was lange tijd de tweede na Max Euwe. En van eind jaren vijftig tot 1970 eigenlijk Nederlands sterkste schaker. Hoe was dat begonnen?  

In het jaar 1943 waren de familie Donner (pa was minister geweest en voorzitter van de Hoge Raad, geen kleine jongen )  en de familie Euwe (pa was leraar wiskunde, maar vooral  ex-wereldkampioen schaken na een gewonnen match met Aljechin) met vakantie  in hetzelfde pension in Winterswijk. Vader Donner en vader Euwe, beiden dus toen BN-ers, raakten on speaking  terms. Pa  Donner vroeg aan pa Euwe of zijn 16-jarige  zoontje een partijtje tegen hem mocht schaken. Dat stond Euwe genadiglijk toe. Jan Hein had van een vriendje pas twee jaar eerder de regels geleerd, in 1941. Maar was daarna zich in hoog tempo gaan bekwamen in het spelletje. Om te beginnen met een boekje van Euwe  “ Hoe oom Jan zijn neefje  leerde schaken.” ( Zo begon ik ook, toen ik 11 was, in 1947. ) Hij was bezeten van het spel, deed niet veel anders, zat stiekem met een zakschaakboekje in de klas. Dat kwam zijn schoolresultaten niet ten goede. Hij bleef dus zitten. Hij moet wel erg zenuwachtig zijn geweest toen hij kon spelen met een wereldkampioen. Hij hield het eigenlijk vrij lang vol, veertig zetten. Euwe concludeerde : ‘ Hier zit een veelbelovende schaker in’  en ‘Uw zoon heeft een uitstekende kijk op het spel. ‘

Eigenlijk is Jan Hein vanaf dat moment  totaal verloren. Al zijn energie gaat zitten in het schaakspel. Hij blijft op het gymnasium twee keer zitten. Hij is zeer intelligent, maar doet alleen iets voor wat hem interesseert. Of als het echt even moet. Dan haalt hij in twee etmalen in wat hij in een half jaar heeft laten verslonzen. Zo haalt hij tot ieders verbazing zijn gymnasiumdiploma toch en uiteindelijk na wat vertraging toch het kandidaatsexamen rechten. Maar  intussen is er vaart gekomen in  zijn schakerssuccessen en dan houdt hij de studie verder voor gezien. Hij wordt schaakprofessional. Een van de eerste in Nederland!  Dat kon hij misschien ook wel omdat zijn familie redelijk in de slappe was zat en hij daar dus in geval van nood op terug kon vallen,

Donner boekt in zijn leven fraaie schaakresultaten ( Bijvoorbeeld: winnaar van het  Hoogoventoernooi 1950 , Nederlands Kampioen in 1954, 1957, 1958 o.a. , enz. enz.) en wisselt ze af met vreselijke scores. (Bijv. : 8e in Hoogoventoernooi 1951, laatste in 1952)  En dat overkwam hem wel vaker. Internationaal viel het ook nogal eens een beetje tegen. De Russen waren zijn Angstgegners. Daar won hij vrijwel nooit van. Ik herinner me nog mijn verbazing toen ik in de krant ineens las dat hij 1967 het sterk bezette toernooi in Venetiė won, vóór toenmalig wereldkampioen Petrosian.

Hoe  kwam dat toch? Donner zelf wist het ook niet. Maar hij heeft altijd wel wat opvallend eigenzinnig commentaar:

“Ja, dat toernooi in Venetië verliep goed voor mij. Na ellendige mislukkingen in 1966 en ook nog het begin van dit jaar, eindelijk weer eens een toernooi gewonnen. ‘Hoe komt dat nou?’ vraagt iedereen. Ik ben wel de  laatste die daarop kan antwoorden. Zo’n toernooi winnen, mijne heren, dat gaat vanzelf. Schaken is en blijft een geluksspel. ‘Hoe nu, meneer, ‘ hoor ik roepen. ‘dat is toch het mooie en edele van het schaakspel dat de kansen gelijk zijn en de spelers alles in de hand hebben?’ ‘Zeker mijne heren, maar wie heeft zichzelf in de hand?’

Nou, deze Donner heeft dat zeker niet. Dat vond hij namelijk helemaal niet nodig. Hij leidde wat ‘normale’ mensen een zeer ongeregeld leven vinden. Hij dronk heel veel. Doch zelden water. (Soms wel eens even een korte periode alleen maar melk, om even af te kicken, en er dan weer beter alcoholisch tegenaan te kunnen gaan.) Hij zat uren te oreren bij Reijnders op het Leidseplein. Of bij De Kring bij een stel BN-ers.   Tot diep in de ochtend. Iedereen had ontzag voor de diepzinnigheid van zijn eindeloze redevoeringen over van alles en nog wat,  waarbij bijna niemand in staat gesteld werd  om ook eens wat te berde te brengen. Sommigen gingen hem zelfs daarom ontwijken.  Hij sliep overdag. Rookte als een ketter, zijn hele leven. Veel echte vrienden had hij niet. Schrijver Harry Mulisch was  één van de weinigen.  Donner vond het studeren op schaaktheorie meestal niet zo nodig. Hij was niet lui, maar vond andere dingen belangrijker. Bekend is het verhaal van Mulisch dat Donner eens de geweldige Deense grootmeester Bent Larsen op bezoek had, die iets op een schaakbord aan hem wilde laten zien. Maar Donner bezat geen schaakbord!  Hij kwam het even lenen bij Mulisch. Voorbereiden op as. wedstrijden met tegenstanders deed hij niet vaak.  Een ander verhaal: Donner heeft een internationaal schaaktijdschrift ontdekt dat partijen van meesters en grootmeesters publiceert. Hij laat het zien aan Ree. Donner: “Kijk eens Hans, een nieuw tijdschrift,  alle partijen van de afgelopen tijd. Dat is handig als je je op iemand moet voorbereiden!” Ree kijkt hem verbijsterd aan en reageert beminnelijk: “Maar Hein, dat bestaat al meer dan vijf jaar en alle grootmeesters en meesters gebruiken dat al jaren.”  Donner: “Ach Hans, jij laat je altijd weer van alles wijsmaken.”

Wellicht was zijn ongeregelde leven er de oorzaak van dat hij excelleerde in vreselijke blunders. Tom Krabbé heeft een boekje samengesteld met de blunders van Donner, ‘die dikke in die ruitjesjas’, de Olie B. Bommel van het schaken. Waar menigeen met veel plezier, ook tijdens zijn leven, om gelachen heeft. Münninghof  schrijft “Het zijn de partijtjes waardoor Donner uiteindelijk in het internationale gilde van schaakgrootmeesters de onbetwiste drager van de narrenkap is geworden.” Hij heeft ze opgenomen in zijn biografie. Hieronder zal ik er twee van publiceren. Maar elders schrijft A. M. ook : “Wie meent Donner om deze partijen uit te mogen lachen, begrijpt het niet. Deze verzameling vormt een onvervangbare steun voor ieder, die wel eens smadelijk verliest.”

Verbaas u!

Tot zover nu even. Spoedig zal ik mijn Donner-ontboezemingen vervolgen. O.a. met voorbeelden van zijn evenzeer smakelijke geniale partijen en voortzettingen. En van zijn soms onbegrijpelijke ontsnappingen. En van zijn boosaardige en geestige uitspraken en schrijfsels.

Bouwmeester was een sterke Nederlandse schaakmeester. Hij heeft heel veel Prisma-boekjes over schaken gepubliceerd. Hij had een mooie aanvallende stijl. Hij was lang de nummer 3 van Nederland, na Euwe en Donner. Vaste kracht in het Nederlandse schaakteam. Later een sterke schaakcommentator bij toernooien. Hij is nu 90 jaren jong. Toen hij ong. 82 was zat ik eens naast hem in de commentaarzaal bij een toernooi. “Mijnheer Bouwmeester, schaakt u nog?” “Ja zeker! Ja hoor! Maar …… sssllleeecht!!”



Jansa is een Tsjechische grootmeester. Hij is van 1941, En nog in leven.



Gyula Sax (Boedapest, 18 juni195125 januari2014) was een sterke Hongaarse schaker. Sax was denk ik ook een Angstgegner voor Donner. In de verzameling van Krabbé staan maar liefst drie korte verliespartijen van Donner tegen hem. Tijdens deze partij zou in de persruimte door schaakmeesters geopperd zijn: “Donner weet alleen maar dat 1. e4 e6 Frans is. En verder niets.” Grapje, maar zou zomaar gekund hebben.