Uit de kast gekomen 17

Het kwam niet uit de kast, maar toch ook weer wel. Ik schreef het al bij de vorige aflevering : ik houd van praatschaak. Maar het aardige  ‘Praatschaak’ van Evert Straat ( Ooievaarsreeks, deel 1 en deel 2, uitgave Bert Bakker, 1956) heb ik kennelijk bij een aanval van opruimwoede  ooit uit mijn kast  laten verdwijnen. Maar nu heeft uw illusionist  het weer tevoorschijn getoverd. Geen beeldschone assistente naast me, maar wel een prima hulp, van de firma ‘Schaakboek ‘. Het was gelijk weer een feest.

Straat was een veelzijdig man : hij was advocaat, vertaler van Griekse klassieken en Shakespeare en won daarmee de Martinus Nijhoff-prijs voor vertalers, hij was journalist bij de Volkskrant, o.a. van artikelen over schaken. Hij was zelf ook een vrij sterke schaker. Ik vond een tiental  partijen van hem terug tegen bekende grootmeesters. De meeste verloor hij, maar hij won ook wel eens, bijv. nota bene tegen Euwe!

Bladerend in deel 2, met zijn verslagen van belangrijke toernooien, stuit ik op een serie over Amsterdam 1954. Schok der herkenning! Ik was nog maar net met een beetje serieuzer schaak begonnen. Ik studeerde nog op wat toen nog  de Amsterdamse “Kweekschool voor Onderwijzers” heette.  Nou ja ik studeerde wel een beetje, maar had vooral mijn neus in schaakboekjes. Dat moest ook wel want wegens tekort aan echte schakers werd ik aan het laatste bord gezet van het kweekschoolteam dat enkele sterke veelbelovende jonge clubspelers herbergde. Ik mocht niet al te veel uit de toon vallen. Ik maakte wel vorderingen. Toen het Kweekschoolteam een jaar later eerst schoolschaakkampioen van Amsterdam werd en daarna van Nederland, was ik opgeklommen tot het vierde bord. In 1954 was ik nog lang niet zo ver, maar ik kende wel al namen van toenmalige  beroemdheden. Dus ik keek mijn ogen uit in de Apollohal, waar de Schaakolympiade 1954 georganiseerd werd. Die zou oorspronkelijk plaatsvinden in Argentinië, maar dat lukte daar om financiële redenen niet. Half juli werd dat, rijkelijk laat, door de Argentijnen medegedeeld.  Het werd een  huzarenstukje  van Lodewijk Prins (ja die van ‘Uit de kast 15’) , die vond dat het dan maar in Amsterdam moest gebeuren. Hij had twee maanden! Stel u voor. 26 landenteams, elk met 5 of 6 spelers  De financiën  voor elkaar krijgen, hotelkamers reserveren, contact met deelnemende landen, materiaal en geschikte ruimte reserveren, enz. , enz.   Hij fikst het! Ik woonde er om de hoek.  Het was het eerste schaaktoernooi dat ik bezocht. Er zouden er nog ontelbare volgen.

Straat schrijft erover en ik herken het nu nog allemaal.  Ik zag Najdorf, Euwe, Botwinnik , enz, enz. in het wild. Het was er bomvol. Ik lees bij Straat dat er 1700 bezoekers waren. Ik was er op de avond dat Nederland tegen  Rusland moest. Straat: “Intussen zat en stond men vanavond in de Apollohal rijen en rijen dik; bij de demonstratieborden werd ook op de grond gezeten en het kostte veel techniek en combinatievermogen om te weten te komen wat er gebeurde.”  Ik had dat duidelijk niet in huis Het was zo druk dat ik de demonstratieborden niet kon bereiken, en van de partijen helemaal niets zag. Over de koppen van toeschouwers heen kon ik nog net de hoofden zien van de langere mannen Donner en Euwe toen ze hun tegenstanders de hand schudden. Van Prins en Cortlever zag ik niets, want die zaten achter hun bord.  Toch was het leuk. Heel erg spannend namelijk. De USSR was in die tijd de absolute heerser over het schaakleven. Schaken was daar een schoolvak. Ze bezaten tientallen supergrootmeesters. Elke uitgezonden Russische schaker kon een toernooi winnen. Ook als wij zijn naam nog nooit gehoord hadden.  Rusland  had dus al vijf keer zo’n Olympiade gewonnen. En dat vond de USSR belangrijk. Nu ook weer. In de Apollohal zaten dus de allergrootsten: Botwinnik, Smyslov, Keres, Bronstein, Kotov. Ik wist: in eerdere ronden hadden ze met 4-0  of zoiets tegenstanders vermorzeld. Hoe gingen de  Nederlanders het eraf brengen?  Ik zag niets, maar hoorde wel het opgewonden gezoem in het publiek. Gelukkig kan ik nu alsnog bij Straat preciezer lezen wat er gebeurde: Dat volgt hier:

 “Om zeven uur was het duidelijk, dat er aan geen van hun borden een ongeluk was gebeurd. Men stond tegen de keur van het Russische meestersgilde voorlopig niet slecht. Euwe behandelde met zwart een Nimzowitsch-normaalstelling zorgvuldig, Donner hield een Nimzo-Indisch, variant Dc2 en d5, in evenwicht, Cortlever had kleine moeilijkheden in een Schlechter-variant van de Slavische partij tegen Bronstein, en Prins kreeg tegen Kotov in een Pirc- opening goed spel. Er was geen tijdnood, in onverstoorbare rust zat de Nederlandse ploeg achter de borden en Cortlever hapte al spelende smakelijk in een appel. Dat het een zure zou worden kon hij toen nog niet weten. De eerste werkelijke gebeurtenis -zoiets waarvan in een toernooizaal onmiddellijk de temperatuur stijgt-  was een pionoffer van Euwe op de 21ste zet.  Wat kreeg hij daarvoor? Druk op de d-lijn. Meer konden we niet ontdekken. Stelselmatig begon de wereldkampioen Botwinnik die druk te neutraliseren en al stond Euwe op dit moment zonder twijfel best, hij was een pion achter…. Donner had intussen de dames geruild en hoefde zich in het eindspel dankzij sterke paarden over zijn geïsoleerde d-pion niet al te veel zorgen te maken. Cortlevers moeilijkheden groeiden helaas zienderogen maar Prins kreeg voortreffelijk spel: een gat op f5 verlamde de stoere Kotov in zijn bewegingen. Even later viel de eerste beslissing: Smyslov winnaar van het kandidatentoernooi van verleden jaar, gelijke van de wereldkampioen in de titelmatch, bood tegen Donner remise aan. De Nederlander had geen enkele reden dat aanbod te weigeren en zo oogstte onze ploeg het eerste halve puntje. Een half uur later was het ook in de partij Botwinnik- Euwe zover. Juist toen Euwe aanstalten maakte te bewijzen dat zijn stelling werkelijk zeer goed was, ondanks de pion achter, stelde de wereldkampioen voor het punt maar te delen. Opnieuw was er geen reden zulks af te slaan; het risico door te spelen op winst was niet gerechtvaardigd. Wonderlijk was dat toen Euwe de remise accepteerde een luid applaus door de zaal klaterde. Dat huldebetoon maakte de indruk dat men onze oud-kampioen, wiens kracht nog altijd enorm is,  zowaar gaat onderschatten. Met twee remises tegen Rusland was intussen onze kans op een tweede plaats geweldig gestegen. Zat er nog meer in de Nederlandse ploeg? Welnu, het bleek meer en meer dat Prins de grote Kotov in een uiterst moeilijke stelling had gemanoeuvreerd. Cortlever stond langzaam op verlies. Bronstein snoerde hem met geraffineerde manoeuvres in, drukte hem dood, zoals dat heet, maar Prins had beslist winstkansen. En toen Cortlever tenslotte op moest geven, wisten we met zekerheid dat Prins niet zou verliezen en waarschijnlijk voor compensatie van de eerste Nederlandse nul zou zorgen. De opwinding bereikte daarmee tegen 22:30 een hoogtepunt. Te weten te komen wat er bij Prins-Kotov gebeurde, werd steeds moeilijker – en het ging tenslotte om een pionneneindspel waarin alle motieven van deze zo broze stellingen -verst verwijderde vrijpion, oppositie, tempo, en driehoekje mee klonken-  en dan moet men precies weten hoe de stelling is. Nog op het laatst was er verschil van mening of een pion van Prins nu op a2 dan wel op a3 stond, wat van grote betekenis kon zijn.  Maar toen dan Kotov met een meer dan somber gezicht zijn zet insloot (ES: in die tijd werd een partij laat op de avond afgebroken met een afgegeven zet in een enveloppe, die bij het hervatten pas werd geopend.) ging het gerucht door de zaal dat Prins gewonnen stond. Dat werd toegegeven door Lilienthal die in dit eindspel als secondant niets meer te analyseren zag. Het werd bewezen door Van Scheltinga.  Maar we zullen pas gerust zijn als we de 1 van Prins tegen Kotov veilig als een turf op de tabel zien staan. “

“Het wordt twee-twee. Een prestatie die eerbied afdwingt. Die de Nederlandse ploeg tot één van de sterkste van het toernooi stempelt. Dat geeft moed en zelden heb ik drommen mensen met zo stralende gezichten en eindeloos geduld voor een vestiaire zien staan Er werd druk uit het hoofd geanalyseerd. “Prins had de oppositie”  “Kotov ging voor het blok” . Het schaakjargon bloeide en bewees in allerlei vormen zijn plastische kracht.”

Ik wist nu al weer meer dan ik me kon herinneren. Maar in deze mooie moderne tijd kun je nog dichter bij het verleden komen. Zowat de hele schaakhistorie ligt opgeslagen in digitaal te benaderen partijen. Ik zoek en vind de partij met het vraagteken van Euwe en de partij met het uitroepteken van Lodewijk Prins. Eens kijken of Evert Straat de werkelijkheid respecteerde of geweld aandeed. Even vragen aan prof.mr dr K. wat hij ervan vindt.

Ja, Straat heeft het goed, hij verzint niks.

Wel denk ik na het bekijken van de analyse:  Was superkampioen Botwinnik (die naam alleen al) vanavond niet in zijn beste bui, of speelde Euwe nu zo geniaal?  Prof. mr dr K. vindt ook dat het pionoffer van prof. dr Euwe wel correct is. Bij de eindstand heeft Botwinnik niks meer. Overigens begrijp ik niet echt hoe Euwe als hij het offer brengt zoiets al ziet. Het zal wel een grotere manoeuvreermogelijkheid voor zijn stukken zijn. Ik begrijp wel waarom aan het eind de stand gelijk is.  Door de actieve toren dreigt zwart ook weer een pion terug te winnen.

De partij van Lodewijk Prins gaat mijn schaakmogelijkheden nog veel verder te boven. Hoe kom je ertoe om je loper aan de rand van het bord  met g4 op te sluiten? Het lijkt dan net zo’n zielig, machteloos wezen als dat malle paard op h8, maar als die weg wil kan dat nog, maar die loper? Dat ook Prins verder meer mogelijkheden voor zijn stukken heeft, dat zie ik wel. Maar dat je dan vooruit ziet dat je zo dit eindspel kan winnen? En ja, het zit er allemaal in : oppositie, tempo-driehoekjes, de andere koning op zijn weg belemmeren, de positie van de koning.

Tabe Bas, een in Amsterdam bekende acteur, zanger en schaker, een keertje open kampioen van Nederland, vriend van velen, o.a. van Donner. Ik herinner me nog wat die me ooit eens bij hem thuis  vertelde, toen ik als twintigjarige beginner daar met hem een potje mocht schaken. Hij had hij veel rapid met Prins gespeeld, zei hij, en hij kwam bijna  altijd goed weg. Tot het eindspel. Dan werd hij steeds op mysterieuze wijze weggespeeld.  ‘Tegen Prins zijn eindspeltechniek ben je machteloos’ vond hij. Nou u kunt daar in het volgende  potje wel een indruk van krijgen.

Eens even kijken of ik nog meer kan vinden dat me inspireert. Nou dat duurt niet lang. Er is genoeg. Mijn aandacht wordt getrokken door een artikel waarin het woord Colle voorkomt. In mijn laatste actieve periode in Aris de Heer speelde ik dat geregeld. Ik won er veel mee. Vooral in de externe. Er zijn twee mogelijkheden: de ouderwetse Colle van Colle himself, en de vernieuwde Colle van Zuckertort en Koltanowski. Dat laatste speelde ik. Ik zag het Ron ook een paar keer spelen, maar hij keek ook naar de echte oude Colle-opstelling.  Alleen Frank had het door, waarschijnlijk intuïtief, hoe hij het minder prettig voor me kon maken. Met een heel vroeg Lb7!  Dat werd dus remise.

Dit artikeltje van Straat is dus ook leuk voor mij. Wat heeft Straat over Colle te melden?

“Van kwaad tot erger daaraan moest ik denken, toen ik dinsdagavond in de Apollohal een partij volgde, waarvan ik de acteurs voorlopig verzwijg. Door een misverstand tussen pers en publiek dat uit  kranten begrepen had dat die avond niet gespeeld werd , doch had vergeten dat er behalve een winnaarsgroep ook nog een classificatie-toernooi aan de gang was. De radio werd te hulp geroepen en tegen 9 uur pm was de opkomst redelijk. Hoeveel men mist als men in een landentoernooi de staart negeert, bleek wel weer vanavond. Een Ier van formidabele kracht opende tegen een beroemde Fransman met d4, en gaf met zijn volgende zetten te kennen dat hij het Colle-systeem wilde proberen.

De Belg Edward Colle was tussen 1923 en 1935 een der sterkste van de toenmalige meesters geworden, met een zeer originele stijl (waarvan onder andere onze Euwe menigmaal last heeft gehad) en die slechts door een hardnekkige maagkwaal, waaraan hij tenslotte bezweek, verhinderd werd tot de allerhoogste regionen door te dringen. Colle was in Nederland in die jaren geliefd als weinig buitenlandse meesters. Toen hij stierf had hij de schaakliteratuur verrijkt met vele fraaie partijen en met een vernuftig openingssysteem, dat nog altijd zijn naam draagt. De Ier wilde dus Colle, maar de Fransman had er geen zin in. Laat ik even de partij achter elkaar noteren, het zijn maar 23 zetten.”

Hij geeft er geen commentaar bij. Ik geef hieronder dus het commentaar van Prof. Mr Dr K.,  ingepakt in mijn omslachtiger taalgebruik, met ook nog een beetje wijsheid van mijn eigen zelvers.

Onbekende – Anonymus,    1954

Ik vind dat die Fransman terecht beroemd is, want die is af en toe mooi bezig. Maar die Ier mag dan ‘formidabele kracht’ hebben, daar krijgen we hier niet veel van te zien. We zien wel dat je bij de Colle er niet op hoeft te rekenen dat je in de opening gemakkelijk beter spel krijgt. Je moet het hebben van later in de partij tactische mogelijkheden.

Ik wil het hier maar even bij laten. Ik was het eerst niet van plan, maar misschien komt er nog een tweede aflevering bij ‘Schaakpraat’. Even kijken of ik nog meer vind dat me inspireert. In ieder geval tot kijk.

Eindcorrectie moet nog plaatsvinden.