JAN HEIN DONNER 3

Nee, Donner was niet alleen maar grappig. Ja, hij werd ook gevreesd.

Op de achterflap van De Koning kunt u lezen: “Er wordt veel beledigd in dit boek. Men kan rustig stellen dat iemand die nooit door Donner is beledigd, niets in het Nederlandse schaakleven te betekenen had. Maar met zijn gevit maakte Donner zich juist ook geliefd. Ongetwijfeld was dat omdat ook zijn grootste woedeaanval wel een kern van waarheid bevatte, en omdat zijn in azijn en ironie gedrenkte bombast zo meesterlijk geschreven was.”

Ja, klopt allemaal wel. Maar wat die ‘kern van waarheid’ betreft, dat is ook meestal zo, maar toch  niet altijd. Natuurlijk formuleert  hij het wel echt wat te boud als hij,  als Lodewijk Prins in 1965 kampioen van Nederland is geworden,  in de krant schrijft dat het “een nationale blamage is dat een afgeleefde oude sukkel, die nooit een loper van een paard heeft kunnen onderscheiden, de landstitel heeft weten te veroveren.”   Maar dat Lodewijk Prins niet een erg tot de schakersverbeelding sprekende figuur was, dat klopt wel. Tabe Bas (zanger, schaker (in 1956 ‘open kampioen’ van Nederland) ,  mijn straatgenoot, onze moeders kenden elkaar goed, vriend van Donner!)  vertelde me eens, toen ik (18 lentes oud) bij hem thuis een potje tot leeringhe ende vermaecke tegen hem mocht verliezen,  dat hij op de club was gestopt met tegen Prins partijtjes  te schaken omdat er nooit wat gebeurde, en dat je pas in het eindspel geruisloos op verlies werd gezet. En nooit begreep hoe. Geen gein aan.  

Donner had ook wel gelijk toen hij protesteerde in woord en geschrift tegen de manier waarop de politie optrad tegen de manifestaties van de provo -beweging, Of tegen de manier waarop het Nederlands schaakteam werd  samengesteld, tegen de benedenmaatse vergoeding van schaakwerk, enz.,enz.

Hij sloeg wel de plank mis als hij weer eens ongenuanceerd beschreef waarom vrouwen niet kunnen schaken en waarom computers nooit schaakgrootmeesters zouden kunnen verslaan.  Vooral dat eerste werd hem op grote schaal kwalijk genomen. Ik denk dat we vandaagdedag dat wel kunnen begrijpen.

Uit  ‘ Vrouwen kunnen niet schaken’  (aug. 1972) :

“Het verschil tussen de seksen in het schaakspel is opmerkelijk groot, maar naar mijn mening niet groter dan op enig ander gebied van culturele werkzaamheid. Vrouwen kunnen niet schaken, maar ze kunnen ook niet schilderen ( ES : ???? ) , niet schrijven ( ES: ???? ) , niet filosoferen, en in feite is er eigenlijk nooit iets door een vrouw gedacht of gemaakt wat de moeite van het kennisnemen waard was. Het ligt dus niet aan het schaken, laten we wel wezen. Hoe het dan wel komt? In de eerste plaats natuurlijk omdat vrouwen veel dommer zijn dan mannen. “

Nogal onthutsend. Verderop schrijft Donner dan  wel weer iets wat de scherpe kantjes een beetje botter maakt, maar toch …     En wat moeten we nu met de slotzin… : “Geen gedachte zo groot of een vrouw kan hem tot onzin maken. “

Hier kreeg heer Donner  uiteraard heel veel reacties op. In oktober 1972  gebruikte hij die om weer een koddig stuk te schrijven. Hij herhaalde zijn argumenten en gooide vervolgens nog wat olie op het vuur.

“Ik werd zelfs van discriminatie beschuldigd. “Donner heeft vergeten negers aan zijn stelling toe te voegen. Het zou moeten zijn ”vrouwen en negers kunnen niet schaken, want zij zijn dommer dan wij”  werd mij door een mevrouw uit Amsterdam in de schoenen geschoven. Deze mevrouw heeft het niet goed begrepen. Negers kunnen best schaken, maar negerinnen niet!”

Na het citeren van een manlijke bedreiging   “Zo, provo, wij komen straks bij jou thuis ….  eens mooi de boel kort en klein slaan, schoft!” vervolgt hij: 

“Krasse taal, maar typisch mannelijk. Vrouwen doen dat anders: “Nee, mijnheer Donner, ik zeg niet wie ik ben, maar ik heb uw stukje gelezen en wilde u wel zeggen, dat ik vind, dat u niet goed wijs bent. U bent ziek, meneer, en u hoort in een gesticht thuis.”   Kijk dat is nu  het verschil: mannen willen je een pak slaag geven, maar vrouwen willen je verzorgen.”

We zijn misschien heden dankzij verschillende eigentijdse cabarettiers wat meer gewend geraakt aan dit soort uitspraken die juist het tegendeel willen zeggen van wat de letterlijke tekst beweert. Moeten we dat bij Donner ook zo opvatten? Gewoon een geintje om lezers op stang te jagen. Om ze te laten nadenken? Misschien. Was hij een vrouwenhater? Daar lijkt het niet op. Hij is een half jaar eerder voor de 2e keer getrouwd met Marian Coeterier (geb. 1939), juriste. Uit latere uitspraken kan men best wel afleiden dat dat een goed huwelijk was. En weer zien we hier het stijlverschijnsel dat de schrijver aan het eind van zijn verhaal gas terugneemt.

Vrouwen zijn dommer dan mannen?   “Ook ik kan er weinig verstandigs over zeggen en als ik dat toch steeds maar weer probeer, dan is dat misschien alleen maar omdat mijn vrouw er zo verschrikkelijk om moet lachen.”

Maar het blijft een favoriet onderwerp voor hem. Na zijn hersenbloeding, kort voor zijn dood, als hij met één vinger nog stukjes voor de krant typt (later o.a. verzameld in ‘Slecht nieuws voor iedereen’(1987) , schrijft hij bijv. in ‘Correspondentie’ :

(Na een herinnering aan Bobby Fischer: “Hij hield niet van vrouwen. “They always want to touch you”  “ )   “ Geen vrouwvriendelijke bezigheid, dat schaken. Zij kunnen er werkelijk niets van en als zij er wel iets van kunnen, zoals Gaprindasjvili (ES: wereldkampioene 1962-1978) en Tsjiburdanidze  (ES : wereldkampioene 1978-1998), dan spelen zij zo vervelend dat je je geneert dat het spel ooit is uitgevonden”  

Donner zal toen nog niet veel gezien hebben van Judith Polgar, die in 1976 werd geboren. Haar tijd moest nog komen. Ze werd vooral bekend om haar agressieve stijl.Ze weigerde bij de vrouwen mee te spelen. In haar toptijd stond ze in de top van de mannenranglijst. Hoogste Fiderating 2735 (in 2005).   Als Donner dat nog had mogen meemaken! Dan had hij wel anders gepiept. Zij was de weerlegging van zijn pesterige theorieën aangaande het vrouwenschaak.

Wij zijn niet de enigen die zich afvragen of hij het nu wel of niet meende.  Bij zijn tweede vrouw kreeg hij een dochter,  Marian (1974). Dat vond hij ‘een cadeautje’. (Hij had bij zijn eerste vrouw al twee kinderen.) In een interview blikte Marian later terug op haar vader:   “Ik had een lieve vader, die er altijd was voor mij. Hij bracht mij naar school en ging dan terug naar huis om terug naar bed te gaan en haalde mij later weer op van school. Hij was een bohemien en genoot van het nachtleven in de cafés en werkte vaak ‘s nachts. Ik vond hem een grote rokende teddybeer. We gingen samen naar de film en na afloop wilde hij met mij discussiëren wat ik er van vond als kind van zes jaar. Hij nam mij serieus.“

“Mijn vader was goed in het beledigen van mensen, daar zat hij niet mee. Van hem is ook de bekende uitspraak dat vrouwen niet kunnen schaken. Ik ging daar later tegenin omdat ik het niet met hem eens was.”

“Of hij dat nu echt meende of dat hij alleen een steen in de vijver wilde gooien is mij nooit helemaal duidelijk geworden. Maar een steen in de vijver was het zeker.”

In afevering 2 beloofde ik het in aflevering 3 ook te gaan hebben over zijn gevreesd zijn als publicist en als schaker. Ik weet nu dat ik dat hier nu niet rond krijg. Er zal dus een aflevering 4 moeten komen.  Ik wil het dan alsnog hebben over Donner’s al even bijzondere meningen over de rol van de computer bij het schaken en alsnog aan de orde stellen de kracht van Donner als schaker. Om de lezers die helemaal niet zo van bovenstaand praatschaak houden en eigenlijk alleen echt geïnteresseerd ziijn in het schaakaspect zal ik nu toch maar even vast een partijtje tonen waarin Donner zijn schaakvermogen demonstreert. Met zijn eigen commentaar en analyse.

‘En wanneer men mij vraagt naar mijn beste partij dan blijft zeer, zeer  weinig over van de honderden toernooipartijen, die ik in mijn leven speelde. Misschien één. Een zeer korte partij weliswaar, maar toch één, die iets van de perfectie vertoont, die ik altijd hen nagejaagd, maar helaas vrijwel nooit wist te bereiken.  (ES: herkent de lezer hiervan wellicht iets?) Wanneer ik hem hieronder geef dan is dat in diepe erkentelijkheid voor mijn tegenstander van dat moment die mij in staat stelde dit juweeltje te concipiëren.

Donner-Troianescu, 1957



Dit was het voor even. Tot de volgende keer, bij Jan Hein Donnner4.

Slotcorrectie moet nog plaatsvinden.