Categorie archief: Schaak diversen

Uit de kast gekomen, 5

Wegens nieuwe corona-belemmeringen toch maar weer even wat leeswerk voor u op de site zetten. Zien de schaakvrienden in hun ergerlijke schaakabstinentie toch nog even wat schaakstukken.  Na ‘Nieuwe Schaakcuriosa’ van  Tim Krabbé en Agdestein over Carlsen’s jeugd haalde ik destijds  ter heroverpeinzing ook uit mijn kast: “Move first, think later” van Willy Hendriks (uitgave New in Chess, 2011, nog verkrijgbaar.)  Hendriks, een Nederlandse  schaker waar u wellicht nog nooit van gehoord heeft. Maar wel een belangrijk schaakdocent, wel een  internationaal Fide-“schaakmeester”, wel met een Elo van 2450. Maar ja,  hij is vooral bekend door zijn boek. Kan dat  wel wat wezen? Als we beter willen worden in het schaken kunnen we dan niet beter de leerboeken verorberen van supers als   Euwe, Seirawan, Nimzowitsch, Fischer , en andere types van dat soort. Die zijn toch niet voor niets van een hogere standing geworden?

Nee hoor, hoeft m.i. niet persé. Ooit heb ik eens bedacht dat mensen die wel een beetje goed ergens in zijn, maar bij lange na geen toppers, iets wel begrijpelijker kunnen uitleggen dan een hoogleraar of zoiets. Een 4e klasser VWO kan vaak een brugklasser beter een wiskundeprobleem uitleggen dan de auteur van een wiskundeboek. Domweg omdat die scholier  beter begrijpt wat er moeilijk aan is. Dat stadium is een echte kei in wiskunde al te lang en te ver voorbij.

Ik vind, als alle recensenten, Hendrik’s boek heel, heel  bijzonder. Ten eerste al  omdat hij wel begrijpt dat de gemiddelde lezer niet genoeg heeft aan 1 diagram, en die er dan dus wel een bord bij moet zetten om de zettenreeks en opmerkingen van de auteur  te kunnen volgen. Wat dus bij de meeste schaakboeken zo werkt.  Dan moet je dat stoffige schaakspel weer gaan opzoeken, er een plek voor zoeken, installeren. Laat maar zitten!  Ik, toch een zeer matige blindschaker,  had dat bij Hendriks’ boek vrijwel nooit nodig. Als ik dacht “dat zie ik nu even niet meer”, was er prompt weer een nieuw diagram. Maar ook en vooral omdat de voorbeelden die hij te berde brengt bijna altijd geweldig leuk zijn en niet al te hoogdravend, maar wel to the point. Veel van zijn voorbeeldstellingen zijn zo mooi dat ik er graag nog 50 ‘hersenfitness’ – afleveringen mee zou willen vullen. Maar dan zal ik wel problemen krijgen met het auteursrecht. Maar mag een enkele misschien wel? Het is toch ook reclame voor dat boek?  

En zijn didactische aanpak is ongebruikelijk, maar interessant. Daar is over nagedacht! Aan het begin van elk hoofdstuk geeft hij eerst alle stellingen die hij gaat gebruiken in dat hoofdstuk. Zonder meer tekst dan de vermelding wie er aan zet is.  (Het liefst had hij dat ook nog weggelaten.  Omdat dat u al suggereert voor wie er iets bijzonders  aan de hand is. Het liefst heeft hij een stelling als in uw echte partij, waarin u zelf moet bedenken of er iets aan de hand is, en voor wie, of er iets bijzonders “inzit” . )  Zijn bedoeling is dat u zonder idioot lang nadenken, liefst intuïtief, bij al die diagrammen een zet zoekt. Later zult u dan wel eens vernemen wat goed is en waarom.

Die aanpak komt voort uit zijn overtuiging dat geen enkele schaker eerst een uitvoerig onderzoek doet naar de kenmerken van de stelling (zwakke velden , sterke velden, open lijnen, achtergebleven pionnen, enz.) en op grond daarvan een zet vindt. Nee, er komt een zet in je op, en je kijkt of dat wat worden gaat. En pas als je een zet hebt ontdekt, ga je misschien denken aan stellingkenmerken om alles alsnog een basis te geven. Daarom is hij niet zo gecharmeerd van schaakboeken of schaakleraren die je eerst van alles willen leren over stellingkenmerken en zo, in de hoop dat hun leerling daardoor sterker gaat schaken. Zijn opvatting is dat je gewoon  in je schaakleven heel veel stellingen en zetten moet langs krijgen, en dat je dan situaties moet gaan herkennen en dat er dan zetten bij je bovenkomen.  ‘Ik probeer dit eens. Zou dat wat zijn? Heb ik zoiets niet al eens eerder gezien?’ Waarom is een supergrootmeester zoveel sterker dan wij?  Niet omdat hij zoveel dieper denkt of zoveel creatiever is. Nee, dat is hij/zij omdat hij/zij een veel groter reservoir heeft aan ervaringen die hem/haar meer en eerder  herkenningsmomenten opleveren. Speelt talent dan geen rol? Jawel, dankzij talent heeft de grootmeester in de loop van het bestaan een veel groter reservoir aan schaakstellingen en schaakzetten opgebouwd , die meer herkenningsmomenten opleveren, dan waarover wij , eenvoudige schaakzieltjes, kunnen beschikken. (De super kon door zijn schaak’talent’ het fanatiek bezig zijn met het schaakspel gewoon niet laten.) Als ik dit lees, denk ik:  ‘Was het niet  de vader van Judith Polgar die beweerde dat zijn dochter schaakgrootmeesteres zou kunnen worden als ze maar vroeg genoeg veel schaakstellingen onder ogen kreeg. (En dus een dik boek maakte met enorm veel van zulke stellingen en zijn dochter verplichtte die zo succesievelijk  allemaal te consumeren.)  Dat iedereen een genie zou kunnen worden, ergens in, mits ….  Had die man gewoon gelijk? Is ook de door ons eerder bekeken levensgeschiedenis van Carlsen niet een bewijs dat het zo werkt?’  Dus, Martin, Frank , je weet wat je te doen staat!  Maar daarna denk ik ook: Waarom hebben dan mijn beide dochters helemaal niks met schaken. Ik heb toch echt mijn best gedaan.

Er zit wel wat in, in die theorieën van Hendriks. Ik ken clubgenoten die ervan zullen  smullen: ‘Zie je wel , je hoeft helemaal geen schaakboeken te bestuderen. Bah! Gewoon lekker potjes schaken, dan komt het vanzelf wel.’  

Maar ik houd toch mijn twijfels .  Voor de theoretische onderbouwing van zijn standpunten gebruikt hij o.a. het bij schakers welbekende  ‘ Het denken van de schaker’ (1946)  van Prof. Dr  A.D. de Groot, die ook na zijn andere baanbrekende publicaties wereldwijd wordt beschouwd als een van de belangrijkste psychologen van de 20e eeuw. Maar toch. Ook vind ik dat Hendriks soms wel wat al te uitvoerig op de  filosofische of psychologische toer gaat. Daar vond ik even een natte vinger wel nuttig. Maar toch ….

Gelukkig destilleert hij uit zijn prachtige voorbeeldstellingen toch zelf ook ongemerkt  best nog veel over “stellingkenmerken”. Ook volgens mijn  ouderwetse  opvattingen is het een leerzaam boek. Een heel mooi boek. Af en toe ook grappig.

Daar wil ik u een beetje van laten meegenieten.

Wat  voorbeelden van Willy Hendriks: ‘Move first, think later.’

Zijn eerste diagram, met de tekst waarmee hij zijn betoog begint. Ik ga een flink stuk van die tekst letterlijk voor u vertalen.

Move First 1

Trainer:  Waar gaat dit over. Wat zijn de belangrijkste karakteristieken van deze positie? Paul, heb jij een idee?

Paul: Uh, Ja, ik zou Tc6 spelen en als hij neemt heb ik Pd5.

Trainer: Ja, je komt nu gelijk met zetten. Maar laten we teruggaan naar de karakteristieken van de positie, kun je daar iets over zeggen?

Paul: Wel, uh, Tc6 dreigt op d6 te nemen. Ik zie niet wat Zwart eraan kan doen. Als hij neemt, neem ik terug en dan komt Pd5, wat kan hij dan?

Veel schaakboeken zijn geschreven in de dezelfde pedante toon als de trainer hier gebruikt. Ze zijn gebaseerd op het idee dat je niet zetten random moet proberen, maar eerst goed moet kijken naar de karakteristieken van de stelling, moet proberen een plan te maken op die basis, en pas dan moet zoeken naar een concreet ‘resultaat’ van een actuele zet.

Dat is nonsens!!

Geen schaakspeler denkt zo. Zulke auteurs vergeten dat als ze les geven zij de beste zet van zo’n stelling al weten, en ze beweren dan dat je die kunt vinden als logische konsekwentie van hun karakteristieken van de stelling. Waarvan ze alleen maar die kiezen, die leiden tot de sterkste zet, die zij al eerder wisten.”

Aldus Hendriks. Hoe gaat het dan volgens hem wel? We gaan weer uit van de diagramstelling:

 

  Move First. 1

“De meeste spelers zullen direct hun aandacht richten op de mogelijkheden van wits actieve stukken richting de zwarte koning.

Het gaat misschien zo: “1.Nf5+  Lxf5  1. Dxf5 mmm, leuk, kan misschien gevolgd worden door 3. Tc6   .  Eh,  2 ……   bxa4 valt de  Loper aan. Onprettig. Andere zetten? 1. a5 dan maar? Wel langzaam! Aha …. 1. Lxd6+ Kxd6  2. Dxf6 wint voor wit.  Dus 1. … Dxd6. Dan 2. Pf5+ Lxf5+ 3. Dxf5  dreigt 4. Tc6 maar ik geloof er niet in. Aha!  2. Tc6 direct! Dame gaat weg, dan 3. Dxf6 en op 2. … Lxc6 3. Pf5+ dat wint, yes, dat moet winnen. Zwart heeft niet genoeg voor de Dame, alles hangt. Of toch 1 Lxd6+ ?  Ziet er goed uit. Hé, waarom niet direct 1. Tc6 ? Ziet er zelfs nog beter uit!  Na 1. ….  Lxc6 2.  dxc6 komt 3. Pd5 ( valt f6 en c7 aan , is dus ook in beeld)  Of 1. Lxd6+ toch?

Zo zou iemand kunnen denken. En er zijn meer mogelijkheden. Misschien ziet iemand wel 1. Tc6 zonder de 1. Lxd6 – serie eerst te hebben gezien. Of hij ziet ze allebei niet. Als je ze wel zag, ben je al een sterke schaker!

Als we 1. Tc6 eenmaal hebben gevonden kunnen we daarna wel vast gaan stellen dat wit wint omdat zwarts Koning onveilig staat, omdat wits stukken actief zijn, wegens zwarts zwakte op de witte velden, de overbelasting van de verdediger van de witte velden (Ld7) de penning op de d6-pion, de ‘verborgen’ mogelijkheid van Pd5, enz. , enz. , enz.

In de partij gaf zwart op na 22. Tc6!”

Verderop concludeert Hendriks met vette letters “ You can not have a meaningful characteristic of a position if it isn’t connected with a (morre or less) effective move.”

Ik stop veel van bovenstaande nog even voor u in een ‘levend diagram’.




Balashov – Neto, 1982

Nog een van de vele voorbeelden van Hendriks’ redenering. Ook uit hoofdstuk 1:

“In schaakhandleidingen van dit type vind je meestal eerst een verbaal advies van algemeen karakter, gevolgd door een  (grootmeester)partij dat als ‘voorbeeld’ dient. De suggestie is dat wat de grootmeester doet niets anders is dan het zojuist gegeven advies opvolgen.

Een voorbeeld daarvan kan gevonden worden in Carsten Hansen’s boek: Improve your positional chess.   

Hansen:   ‘Je moet zoeken naar wat in onbalans is op het bord en proberen een zwakte te creëren door provocatie of door doelgericht spel”



Shirov – Kasparov

Dit voert tot een nieuwe krasse uitspraak van Hendriks:

“Op vragen als “Hoe creëer ik een zwakte?”en “Hoe counter ik het initiatief van mijn opponent?” is maar één antwoord mogelijk” Speel goede zetten!!

In het diagram van Kasparov zijn dat de zetten 1 …. g4 en 2. ….h4. Wie weet, zet die ervaring van die zetten ons ooit op het spoor van een soortgelijke h5-h4-zet of een soortgelijk tijdelijk stukoffer in een eigen partij.” 

In Hoofdstuk 2 hamert Hendriks verder op hetzelfde aambeeld:

“Look and you will see versus trial and error”

Het zal u nu niet meer verbazen dat Hendriks veel meer ziet in een Trial and Error- aanpak!

Hij gebruikt een voorbeeld uit de Step bij Step-methode van Van Wygerden. Hij zegt over die methode (ook door Martin en Bert gebruikt toen we nog schakertjes hadden in onze club) dat het een goede methode is, met een grote hoeveelheid (vooral tactische) oefeningen en goed opgebouwd, maar dat v. Wygerden een advocaat is van de ‘search and solve’- methode en de Trial-and-Error-methode  afwijst voor zijn schaakpupillen. Dat vindt Hendriks niet terecht:

  Move First 3

“Ik gaf deze stelling aan een jonge leerling:”Aha”zei ze nogal snel:  1. De3 en dan Pxc6 en Dxa7. “Erg slim”zei ik “maar misschien kan ik mijn Toren wegzetten, kun je dan evengoed winnen?” En  even later, om haar een beetje te helpen “Indien 1. De3, kan ik misschien ook wel ….  Pxd4 spelen. “   Zij: “Ach ja, hmmmm,  o nee, Dxd4 valt beide torens aan!”  En snel daarna:  “O ja,  1. Pxc6  Lxc6  2. Dxd4!”

Dit is een typisch voorbeeld van het vinden van de goede oplossing door Trial and Error!   …………………

Ik zal wel iets tegen haar gezegd hebben met opvoedkundige waarde, maar om eerlijk te zijn, vind ik zelf zulke dubbele aanvallen op dezelfde manier. Aanmodderen met verschillende attractieve zetten, en dan  “Hee, een dubbele aanval!” “

Move First4

Wim Gielen – Willly Hendriks 2001

“Net als hier: Zwart, hoewel een pion achter, heeft duidelijk een prettige keuze. Ik dacht over  23. …. Dxg4+  en over het luie 23. …..  Pc5, en toen zag ik plotseling de ”double Queen” 23. …. Df6! En dan 24. Tc1  Df3+  met torenwinst. “

Niks dus met eerst stellingkenmerken en pas daarna een zet zoeken.

Ik (Eddy) vind het allemaal wel geestig. En veel is wellicht wel herkenbaar en terecht. Maar dit zijn wel tot nog toe “tactische”voorbeelden. Ik wil nog wel eens zoeken in zijn boek naar strategische voorbeelden.

Dus u kunt rekenen op nog wel een vervolg uit dit grappige boek.

Eindcorrectie moet nog plaatsvinden.

Uit de kast gekomen, 4

Ik denk dat de voorzienigheid medelijden heeft met mij, wegens de  steeds dubieuzer kwaliteit van mijn geheugen.  Dat speelt me al mijn hele leven parten. Maar de chef daarboven, die alles ziet, helpt me vaak  een beetje. Altijd als ik  probeer iets aan de weet te komen, gebeurt er iets merkwaardigs. Een woord of begrip dat ik niet ken – iets nieuws , nooit van gehoord –  en ga opzoeken, staat de volgende dag uitgelegd in de krant. Een boek van een nog niet zo heel bekende schrijver X dat ik met mijn klas ging behandelen? Drie dagen later : “ Jongens, er stond gisteren een interessant interview met schrijver X in de krant. Toevallig hė. Moet je even lezen!”

Een week of drie geleden haalde ik een paar boeken uit mijn kast, die me wel wat leken voor de onderhavige serie. Daar waren bij

Magnus Biografie van een grootmeester”, 2014,  uitgave Thomas Rap  door Arne Danielsen  “ “Schaakwonder”, Hoe Magnus Carlsen de jongste grootmeester ter wereld  werd” uitgave New in Chess, 2004,  door Simon Agdestein,

Dat kon ik nu wel eens gaan gebruiken. Ik herlas er het een en ander van. Ja beide heb ik destijds wel helemaal gelezen. Want dat ging als vanzelf. Maar ja …..   dat geheugen …  En ja hoor, ook nu weer zijn daar ‘het hemelse gerecht’ (Vondel) , de voorzienigheid, de hoger sferen, de Providentia Dei of gewoon het toeval, weet ik veel.

Want  in het Noordhollands Dagblad van  Zaterdag 29 aug. behandelt Dimitri Reinderman  een partij van  onze jonge grootmeester Jorden van  Foreest tegen Simon Agdestein. En zondag 30 aug vertoonde de Vara de documentaire “Magnus” van Benjamin Ree op de TV.

Eerst even Reinderman citeren, die schrijft over de recente voor Nederland niet zo best verlopen online Olympiade. “De match tegen Noorwegen werd wel gewonnen en daar speelde een bijzondere speler op bord 1. Niet wereldkampioen Magnus Carlsen, maar zijn voormalige coach Simon Agdestein, die eind jaren 80 in de top-20 van de wereld stond. Dat is op zich al knap, maar hij was toen ook Noors voetbalinternational. Helaas moest hij  begin jaren 90 zijn voetbalcarriėre opgeven vanwege een knieblessure. Tegenwoordig is hij vooral actief als  coach op de Noorse sportacademie, maar af en toe speelt hij zelf nog.”    Zijn  behandelde rapidpartij tegen onze jonge grootmeester van Foreest eindigde na ongelofelijk veel vuurwerk en chaotische toestanden in remise.

Agdestein was de ontdekker van Carlsens talent, en in diens jeugdjaren zijn schaakleraar. Na wat informatie over kleuter- en peutertijd via andere bronnen, begint zijn boek eigenlijk pas echt vanaf het moment dat hij zelf Magnus ontmoette en onder zijn hoede kreeg. Dat was in 2000, toen Magnus 9 jaar was. Hij beschrijft hun samenwerking en publiceert talloze partijen van het ‘slimme ventje’ tot en met het jaar 2004. Dat was het jaar waarin Carlsen als 13-jarig mannetje de eerste grootmeesternorm behaalde bij zijn eerste echt succesvolle toernooi, in Wijk aan Zee, het Chorustoernooi. Agdestein en ook Danielsen beschrijven hoe al spoedig de toeschouwers meer samendromden voor de spelersafdeling van de C-groep dan voor de afdeling van de supergrootmeesters  van de A-groep (met o.a. Anand, Leko, Topalov, Kramnik en meer van dat type van soort).  Die C-groep was trouwens ook best nog behoorlijk sterk. Daarin bereikten  bijv. in 2004 ook Sipke Ernst en Jan Smeets  de grootmeesternorm. Maar Magnus, dat ventje waar toen eigenlijk weinigen wel eens van gehoord hadden, won de C-groep met de formidabele score van 10,5 uit 13. Ik stond toen ook zelf achter die horde belangstellenden. Ik heb in mijn fotoarchief geen eigen foto van de Carlsen van toen kunnen vinden. Omdat ik niet in de buurt kon komen wegens de enorme belangstelling, of omdat een foto niet interessant vond omdat ik nog geen flauw idee had wat dat jongetje voor de schaakwereld zou gaan betekenen? In beide boeken wordt vermeld dat Magnus met zijn vader ’s avonds in een Italiaans restaurant ging eten. En dat Magnus alleen pasta lustte!  Nou dat klopt. André Mulder en ik gingen (gaan) daar na toernooibezoek ook altijd eten. Bij Tarantella. We hebben daar ooit aan de tafel naast Anand gezeten, toen hij puber was. En ook in 2004 naast de tafel van Magnus en zijn vader. Die waren samen naar Wijk aan Zee getogen, en niet met de hele familie op reis, zoals het jaar ervoor. De zussen hadden na alle zon van hun wereldreis niet zoveel zin meer in dat kille Hollandse klimaat. Geen mens had toch kunnen bedenken dat die knul die daar een beetje ongeïnteresseerd puberaal op zijn stoel hing de latere wereldkampioen zou worden!

Ik vond nog wel mijn foto van 2006. Toen hij de B-groep won als 15-jarige. Het jaar daarop in de A-groep, bij de supergrootmeesters. In 2010 won hij die voor het eerst.

Carlsen in 2006.

Ik zal wat jeugdpartijtjes voor u diagrammeren uit het ruime aanbod van Agdestein.

Voor zijn eerste grote succes, winnaar in Wijk aan Zee 2004 groep C, moest hij dus Sipke Ernst en Jan Smeets achter zich laten. Ik laat hier volgen hoe Sipke Ernst van het bord werd gemept. Het begon rustig met lang theorie van de hoofdvariant van de Caro Kann. De opening waarvan Donner destijds vond dat dat iets was voor lafaards, en dat die opening voor zwart verboden moest worden. Omdat het allemaal te saai was. Maar Carlsen heeft geen moeite om de saaiheid aan te pakken. Na een wat mindere 17e zet van zwart gaat hij er op los. En de genadeklap  is een prachtig paardoffer dat heel precies moet zijn uitgerekend, en waar Ernst niet van terug heeft. Je kunt je zoiets toch niet voorstellen van een kereltje van 13.

Magnus Carlsen – Sipke Ernst



Bij het Chorus-toernooi was ook aanwezig de organisator van het beroemde, zeer druk bezochte Aeroflot-toernooi in Moskou. Kennelijk geïmponeerd door het spel van Magnus nodigde die de hele familie Carlsen uit om naar Moskou te komen tegen zeer aantrekkelijke voorwaarden: reis en logies betaald voor de hele familie. Dat was aantrekkelijk voor allen. Na een jaar wereldreis was het geld van de Carlsens wel een beetje op, in Moskou was veel interessants te bezoeken. Wat ze graag deden. Magnus had graag bij een toernooi zijn familie om zich heen, en kon daar heel sterke grootmeesters als tegenstanders verwachten. De reis werd een succes. Carlsen speelde sterk, bereikte zijn tweede grootmeesternorm, en ook hier brak er een ‘Magnum-koorts’ uit. Enorme belangstelling van het publiek. En dat is zowiezo in Rusland in die tijd ruimschoots aanwezig bij schaakevenementen. Er zijn nog extreem veel schakers in Rusland, na de jarenlange staatssteun tijdens de communistische jaren.

Zo was men bijvoorbeeld diep onder de indruk van zijn partij tegen de geduchte grootmeester Dolmatov. Die werd in 1978 jeugdwereldkampioen, in 1979 tweede bij het Russisch kampioenschap, enz. Die stond bekend als in expert in de Hollandse Opening ( 1. d4 f5 )  Die wordt tegenwoordig niet veel meer gespeeld. Hij staat als niet sterk bekend. Ik heb wel eens gezocht naar goede varianten ertegen maar zonder veel succes. Ik kreeg het idee dat theoretici er een beetje  op neerkijken, maar dat er weinig partijen zijn die het dédain rechtvaardigen. Maar Carlsen maakte er inderdaad even gehakt van. In 19 zetten wordt Dolmatov van het bord geveegd. De media raakten er niet over uitgepraat.

Carlsen – Dolmatov



In 2004 speelde Magnus ook mee in een snelschaak/rapid-toernooi in Reykjavik. Daar trof hij voor het eerst wereldkampioen Kasparov. De eerste partij tegen hem werd een sensatie. Magnus kwam rond de 30e zet gewonnen te staan, maar Kasparov kon met een pion minder ontsnappen in een eindspel met ongelijke lopers. Toen ik daar destijds van hoorde, dacht ik, ach ja Kasparov heeft die 13-jarige  natuurlijk onderschat en een beetje te veel risico genomen. Maar Agdestein drukt die partij af en ik heb hem (daarbij de computer veel tijd gunnend voor degelijke analyse) ingevoerd in Komodo 14. Dan vallen mij een paar dingen op: Wat spelen beiden ongelofelijk correct in zo’n 25 minuten-partij. Komodo ziet nergens ernstige fouten. En hier is echt geen sprake van onderschatting. Die knul speelt gewoon ijzersterk, en agressief. Kasparov komt daardoor slecht te staan. In de documentaire “Magnus” laten ze fragmenten van die partij zien, en het is prachtig om te zien dat Kasparov het weet.  Zijn clowneske mimiek en zijn lichaamstaal verraden verbazing en een beetje wanhoop! Na één kleine onnauwkeurigheid van Magnus kan de wereldkampioen nog net ontsnappen.

Magnus Carlsen – Kasparov




Na afloop gaf Kasparov toe dat hij verloren had gestaan. Dat deed hij bijna nooit! En ook voorspelde hij  dat Carlsen als hij geen tegenslagen zou krijgen ooit wereldkampioen zou worden.

De 2e partij tegen Kasparov verknoeide Carlsen!   De dertienjarige reageerde achteraf met zelfhaat met de legendarische woorden:  : “Ik speelde als een kind!”

Maar het was wel een wonderkind. Over Carlsen zouden nog 20 publicaties op de website kunnen worden uitgedokterd, maar ik heb het over boeken uit mijn boekenkast, en omdat  Simon Agdestein alleen Magnus’ jeugd beschrijft tot en met 2004 , en Danielsen geen partijen opneemt, wil ik het hierbij laten.

Het was me een genoegen met die twee boeken opnieuw kennis te maken. “Schaakwonder”zal wel niet meer te koop zijn, maar “Magnus” 2014 tot mijn verrassing wel. Als e-book zelfs, inmiddls sterk afgeprijsd : 4,90 euro!

Uit de kast gekomen, 3

Ik schreef de vorige keer dat ik nog even verder zou neuzen  in “Nieuwe schaakkuriosa” van Tim Krabbé. Of ik nog wat meer leuks voor u en mij kon ontdekken. Maar het kwam er even niet van. Omdat het vreselijk warm werd, en ik daar niet goed tegen kan. Ik had nergens meer zin in. En ook wel omdat er op mijn vorige vier Corona-tijd-artikelen vrijwel geen reactie bij me was binnengekomen, althans niet van clubgenoten. Zegge en schrijve 1 (één).  Zien die clubmakkers in deze moeilijke tijden het schaken even niet meer zitten? Heeft mijn gepruts dan eigenlijk nog wel wat zin?

Maar de hitte is nu even over, mijn apathie en mijn twijfel hopelijk ook een beetje, en dus bladerde ik weer wat verder in het boekwerkje. In Hoofdstuk 3, “De gratis zet van Nimzowitsch”. En direct werd ik weer enthousiast. Wat is het toch een mooi boek!

De titel van dit hoofdstuk ontleent hij aan “Mein System”, het beroemde boekwerk van Nimzowitsch waar ik lang geleden een aantal artikelen aan wijdde. (Ik zag tot mijn schrik dat de diagrammen erbij verdwenen zijn. Daar moet ik misschien iets aan doen. Veel dom werk. Maar voor wie doe ik dat? Voor mezelf misschien.)

Nimzowitsch omschrijft dit motief – de zogenaamde ‘Zwickmühle’– op de hem eigen omstandige maar duidelijke wijze: “Der  langschrittige abziehende Stein hat die Wahl zwischen allen Feldern in der entsprechende Abzugslinie, ohne dass es ihm ein Zug kostet, also vollständig gratis” Met het eerste  van Krabbé’s voorbeelden weet  u ook vast weer wat dat was:

Torre-Lasker 1925

Lasker was enkele jaren eerder nog wereldkampioen, en ook in 1925 nog een heel sterke schaker. Maar – schrijft Krabbé- hij was een beetje afgeleid door een telegram dat bij hem tijdens de partij werd bezorgd en lette even niet goed op, en gaf zijn tegenstander een kans op een lange, maar niet zo moeilijke en fraaie combinatie. U kunt het ook! Als u het even weet. En het is niet zo super-zeldzaam. U komt het vast nog wel eens tegen.



“Een gratis zet”:  dat is hier elke torenzet omdat die steeds met schaak gepaard gaat en de zwarte koning te weinig ontsnappingsmogelijkheden heeft.  Dus mag de witte toren zijn verwoestende werk eindeloos herhalen.

Hierna volgen bij Krabbé nog 20 bladzijden met voorbeelden zulks, plus analyses, soms zeer ingewikkeld. Ik heb er nog wat uitgevist, wat me voor onze site wel leuk lijkt. Ik vermoed dat u ervan kunt smullen!

Een studie van Weenink, 1923.

Zo op het oog geen centje pijn voor wit. De zwarte pion staat wel op promoveren. Maar daar is toch eenvoudig wat aan te doen? Maar dat valt tegen, want kijkt u maar eens wat er na Ta1 gebeurt. Ha ha, dat wordt pat. Er is maar één winnende zet voor wit!



Als je ze op het spoor bent, zijn die Zwickmühles vaak niet zo moeilijk uit te rekenen. Maar je moet eerst wel even vermoeden dat het erin zit.

Het volgende voorbeeld is ook niet ingewikkeld. Maar er komen wel offers aan te pas, en u moet zich even realiseren dat Smyslov in 1957 wereldkampioen werd (tegen Botwinnik) , maar in 1935 nog pas 14 jaren oud was!



De volgende studie laat zien dat er toch vaak heel subtiel gedacht moet worden. Zoek maar eens uit welke enige zet wint in het volgende diagram. Middels een Zwickmühle uiteraard.



Nog maar eentje om het af te leren?

In boeken met oude voorbeelden kunt echt het genie Aljechin niet missen. Hij was een antisemiet, een notoir drankorgel, een nazi-bewonderaar, maar vooral een formidabele schaker met geweldige tactische bekwaamheid, en hij was heel lang wereldkampioen. 1927-1935  (O.a. wegens te veel drankconsumptie  was hij toen even niet opgewassen tegen Max Euwe)  en van 1937- 1946  ( even een missertje recht gezet) .



Aljechin,1928 – Fletcher,simultaan

En omdat ik het niet kan laten, een laatste voorbeeld uit Tim Krabbés schitterende boek  waarin nog honderden andere mooie fragmenten ( Kees Kerkdijk zou het terecht een stukje ‘Titanen-arbeid’ noemen).

Leuk is hier ook dat de 13- jarige Robert Fischer hiermee een van de sterkste Amerikaanse grootmeesters versloeg. Hij slaat niet direct de loper op b6 (dan kan wit daarna op c3 een paard terugnemen), maar met zijn zwickmühle zorgt hij er eerst voor dat het paard op c3 door de loper op g7 gedekt staat, en daarna wint hij het stuk.



D.Byrne – Fischer

Ik stop maar met Krabbé’s boek. Ik ga het terugzetten in de kast. Voor nog veel meer dergelijke onderwerpen en voorbeelden zult u “Nieuwe Schaakkuriosa”zelf moeten bemachtigen. Het is is helaas uitverkocht, maar antiquarisch of in de bibliotheek? Een aanrader.

eindcorrectie moet nog plaatsvinden

Uit de kast gekomen (2)

Als beloofd nu mijn hengel uitgeworpen in “Mysterieuze krachten in de toren” van Krabbé’s “Nieuwe Schaakkuriosa”. Maar de vangst viel een beetje tegen. Daar kon Tim Krabbé  niets aan doen. Was gewoon mijn  schuld. Deze vijver is echt buitengewoon rijk en bevat informatie die zelfs voor grootmeesters uniek is. Hij bevat vooral theorie over hoe, als mogelijk,  aan de dolle toren te ontsnappen. Met analyses die vele bladzijden per stelling in beslag nemen. Buitengewoon. Waarschjjnlijk theorie  die nergens anders te vinden is. Maar …..  te moeilijk voor mij, en ik vrees ook voor u.  Ik wilde wat eenvoudige witvisjes vangen voor de kat, maar kreeg  een zeldzame zeelt-soort  aan de haak, zonder enig idee hoe daar iets smakelijks mee te bereiden. Ik ben tenslotte geen chef-kok-schaker.  Dus eerst maar even via de google-winkel  wat simpelers besteld om aan u voor te zetten. Daar begin ik mee. Wat me wel voor ons , eenvoudige consumenten, ook  smakelijk lijkt van Krabbé zal ik daarna  aan de orde stellen.

In     chessgames.com   vond ik een buitengewoon grappig voorbeeld van een ‘dolle toren’. Dat is een toren die niet geslagen mag worden omdat de stelling dan pat is en je de winst dus op je buik kunt schrijven. Haast onvoorstelbaar dat zo’n stelling dan remise is. Dit soort stellingen is niet zeer zeldzaam. Omdat een normaal mens zoiets niet ziet aankomen. Ook hier was het motief best te voorkomen geweest, en de winst niet moeilijk, maar ja wie rekent nu op zoiets. Grünfeld in ieder geval niet . Dat was toch ook geen kleine jongen. Won vele toernooien en was de vaste 1e bord-speler van het schaakteam van Oostenrijk.

Janovski-Grünfeld, 1925



In één van de bloedstollende partijen in de diverse matches om het wereldkampioenschap tussen Kasparov en Karpov dreigde ook even een remise in verloren stelling door een dolle toren van Karpov. Maar hier laat Kasparov even zien dat die vlieger hier niet opgaat. Karpov verliest.Dat deed hij niet zo vaak.

Kasparov-Karpov 1985



Tom Krabbé besteedt 40 bladzijden aan dit onderwerp. Met zeer uitvoerige analyses, en talloze voorbeelden. Geeft veel theorie over mogelijkheden om aan de dolle toren te ontkomen. Zeer ingewikkeld!

Hij stelt vast dat er veel fouten worden gemaakt. Door schakers die de dolle toren niet zien aankomen. En door schakers die niet zien hoe ze in hun stelling nog kunnen ontsnappen,

Enkele van zijn voorbeeldjes die wij, eenvoudige zielen, misschien nog kunnen volgen:

Smejkal (Elo 2500) met zwart,  gaf ten onrechte de volgende stelling op tegen Sax (Elo 2600)

Hij overzag dat hij in wezen drie dolle torens had!



Ook in de volgende partij Wockenfuss (2257) – Andersson (2550)  overzag  wit het motief van de dolle toren. (Grappig dat ook Komodo 10 het eerst niet ziet! Maar geef hem veel tijd en dan gaat hem ook een licht op!)



Hier laat ik het maar even bij.

Wat we er in ieder geval van kunnen opsteken: Kijk ontzettend uit als je in de buurt van een toren- eindspel raakt, waarin een koning zodanig omsingeld is dat hij pat kan komen te staan. Ook niet op een manier die je eigenlijk niet voor mogelijk houdt.

Ik ga nog even verder bladeren in “Nieuwe schaakkuriosa”. Vind ik nog wat lolligs, dan merkt u dat wel. Anders trek ik wel een ander boek uit mijn kast. Keuze genoeg.

Eindcorrectie moet nog plaatsvinden.

Uit de kast gekomen (1)

Uit de kast. Een uitdrukking. Ja, met meer betekenisen. (‘Taal is zeg maar ook mijn ding!’) 

Eerst letterlijk. Ik hoop niet dat ik iemand op de kast jaag, als ik boud beweer dat mijn kast nog steeds zeker veel meer schaakexemplaren  rijk is dan er bij u op de plank staan. En dan te bedenken dat ik vijfentwintig jaar geleden de helft ervan met bloedend hart  aan sc Caïssa  heb weggegeven, omdat ik ruimte moest maken. Ik had natuurlijk kunnen gaan verhuizen, maar dat trok me totaal niet. Dat gaat veel geld, energie en tijd kosten, en dat alles investeerde ik liever in o.a.  de beoefening van het edele schaakspel.

Figuurlijk: ‘iets toegeven dat je tot dan toe verzweeg omdat je vreesde voor de domme reactie van je medemens.  Ja, ik moet nu wel toegeven dat ik mijn boekenkast schaakboeken heb staan die ik slechts gedeeltelijk heb gelezen. Dat geldt niet voor toppers als de autobiografie van Benkö, de vuistdikke biografie van Keres,  Euwe’s ‘Oordeel en Plan’,  Averbach’s ‘Wat iedere schaker van het eindspel moet weten’. Om er een paar te noemen waar ik met vertedering aan terugdenk. Het was natuurlijk de bedoeling dat ik er sterker door zou gaan schaken. Ik denk niet dat dat gelukt is. Nou ja, misschien een klein beetje, …..   een verdomd klein beetje. Waren ze het geld en al die energie wel waard ? Ach… het hield me van de straat. Achteraf denk ik wel eens dat veel van die lessen van schaakhoogleraren je van het kastje naar de muur stuurden.

Ik vrees uw hoongelach als ik toegeef dat ik sommige boeken helemaal niet gelezen  heb. Gekocht uit hebzucht, weggezet voor later, als ik meer tijd zou hebben. Dat zou dus nu moeten zijn. Wegens Corona! Eindelijk ben ik uit de kast gekomen! En zij ook, hèhè, dat lucht op!

Er zijn nu  geen wekelijkse partijen van u meer, en omdat ik uw ‘ouwe kost’  al eerder heb benut, moet ik andere inspiratiebronnen zoeken. Goed idee: mijn boekenkast! Kijken wat er uit de kast komt.  Voor het eerst lezen, ten dele of geheel, soms herlezen. Zoeken naar iets wat misschien voor u de moeite waard is. Genoeg voorraad voor een nieuw serietje.

Ik begin met Tim Krabbé ,  ‘Nieuwe schaakcuriosa’. (1977).  Veel later door mij  antiquarisch aangeschaft. Mijn nieuwsgierigheid was gewekt doordat er vaak in schaakkolommen uit geciteerd werd. Ook zijn eerdere ‘Schaakcuriosa’ (1974) werd vaak genoemd.

Beroepsmatig was Tim Krabbé toen ook voor mij van belang. Hij was vooral ook een literair auteur. Vooral zijn boekje ‘Het gouden ei’ vond bij mijn leerlingen gretig aftrek. Het was dun, behoorlijk spannend en het was ook verfilmd en hun leraar Nederlands vond het geschikt voor de examenlijst. Leerlingen die van wielrennen hielden, lazen om dezelfde redenen ‘De renner’, waarin Krabbé verslag uitbrengt van een door hem met enig succes verreden wielerwedstrijd in Frankrijk.  De hobby’s  van deze (meermaals bekroonde) schrijver:  wielrennen en schaken. (Zat als schaker  lang bij de top 20 van Nederland).

Zijn ‘Nieuwe schaakcuriosa’  bevat een schat aan partijen, stellingen, anecdotes die om de ene of de andere reden grappig of interessant zijn. Maar het is te veel, en vaak ook zijn de analyses te moeilijk en te diep om het achter elkaar uit te lezen. Dat gaat er nu zeker niet meer van komen, want mijn ogen zijn te slecht geworden om dat akelig kleine en te grijzige lettertje lang achter elkaar te kunnen verduren.  Maar ik kan er nog wel een paar grappige dingen uit vissen. Je hebt in die rijke vijver namelijk bijna altijd gelijk beet.

Ik ga hem letterlijk citeren, maar zijn analyses in bewegende diagrammen voor u leesbaarder maken.

Uit hoofdstuk: “Te mooi om niet waar te zijn”.

“Echte massasuggestie zoals deze, waarbij een groot publiek gedurende lange tijd voorbijziet aan heel simpele mogelijkheden, komen niet erg vaak voor. Een geval waarbij de collectieve begoocheling vroeg gesignaleerd, maar vervolgens weer vergeten werd is het volgende diagram:

TietzRamisch

   TietzRamisch 1898

Een stelling die in de meeste handboeken opduikt. De fantastische oplossing is:



Parbleu! Maar nooit heb ik in die handboeken er de aantekening bij gezien die Weenink al in1914 naar de redacteur ‘Partijstellingen’ van het Tijdschrift der Nederlandsche Schaak Bond stuurde. Weenink merkte op dat zwart helemaal niet gedwongen is om de Dame te slaan en dat het na  2. …Kb7 zelfs de vraag is of wit wel gewonnen staat.



De redacteur Strick van Linschoten, meende die winst toch te kunnen aanwijzen:



Maar hij gaf toe dat weer een andere opmerking van Weenink een eventuele discussie daarover overbodig maakte, want na 1. Txc6 kan wit gewoon een stuk winnen!:



Er is overigens nog een grotere fout, waar Weenink niet op wees, omdat Strick van Linschoten de stelling na 1. Txc6 Kxc6 had gepubliceerd. Maar in ons uitgangsdiagram wint   1. Dc2 !! ( i.p.v. Txc6) minstens een toren omdat er anders nog veel meer materiaal verloren gaat.



De verklaring van het vergeten van dit alles: liefde maakt blind. De oorspronkelijke oplossing van Tietz-Ramisch is te mooi om niet waar te zijn.”

Hierna vertelt Krabbé dat hij zich wel een poos heeft afgevraagd of ook dit geen ‘mystificatie’ was. Hij geeft in dit hoofdstuk meer voorbeelden  van zogenaamd echte partijen of stellingen, die in werkelijkheid  ordinair verzonnen zijn, om op de lezer indruk te maken.   Zelfs Aljechin deed zoiets! Meermalen zelfs!

En Tietz  was geen supersterke schaker, beetje van hoofdklasseniveau. maar in zijn partijen komen heel veel dameoffers voor. En veel van die dameoffers waren zo probleemachtig fraai, dat Krabbé begon te twijfelen. Maar, schrijft hij, hij is van dat idee teruggekomen. Nadat hij had vastgesteld dat Tietz op dezelfde dag jarig is als hij! (Ik vermoed dat u dat niet zo’n sterk argument vindt.   Maar ja, Krabbé’s boekje is niet alleen erg informatief, maar ook vaak grappig!)  Hierna volgt nog een voorbeeld van zo’n dameoffer. Ik zou het zo bij Hersenfitness kunnen plaatsen.  Ik zou zeggen, kijk eens of u het zo  kunt vinden, zonder te spieken.

Roland-Tietz , 1902

Zwart speelt en zet geforceerd mat



en mat via Lf8 of Pf5 is niet te voorkomen.

En onderwerp dat mij zelf altijd fascineerde  is het ‘dolle toren’-motief. In Krabbé’s boekje staat een hoofdstuk “Mysterieuze krachten in de toren”   Vast ook een rijke vis-stek. Daar ga ik volgende keer maar eens  de hengel uitwerpen.   Voorlopig:  “Poppetje gezien, boekenkastje dicht”