Categorie archief: Schaak diversen

UIT DE KAST GEKOMEN, 9

Na mijn wat uit de hand gelopen publicatie over ‘First move, think later’ terug naar mijn plan om wat te schrijven over zo’n schaakboek waar je in moet grasduinen. Voor het slapen gaan. Het is van 2011. Ik heb toen waarschijnlijk niet alle 430 bladzijden gelezen.   “The Joys of Chess” van Christian Hesse. Een zeer begaafde Duitser. Schaken is slechts een hobby van hem, net als literatuur en boksen en fitness. Maar van beroep is hij hoogleraar wiskunde, in de USA en in Duitsland. Ik vraag me af hoe die man de tijd vond om zulke dikke boeken over schaken te schrijven. Met een stortvloed aan passende voorbeelden.

Het voorwoord werd geschreven door niemand minder dan Viswanathan Anand. “ It is a rich compendium of spectacular highlights and defining moments from chesshistory: fantastic moves, beautiful combinations, historic blunders, captivating stories and all this embedded into a plenitude of quick-witted ideas and contemplations as food  for thouht .”

Heel veel enthousiaste recensies.  Maar ook één negatieve. Hesse zou veel van dat materiaal ook weer van anderen hebben overgenomen. Soms zonder bronvermelding, soms uit de tweede hand. Aldus ene Thomas Winter. Die mijnheer  lijkt mij een beetje een jaloerse betweterige zuurpruim . Hoe kom je anders aan zo’n enorme hoeveelheid  prachtige voorbeelden? Zonder ieder gebruik van voorgangers krijg je zo’n boek in een heel mensenleven nog niet bij elkaar. Zijn gemopper heeft in ieder geval mijn plezier niet kunnen bederven. En bovendien: wat doe ik zelf anders in uw stukjes ‘Uit de kast’ dan profiteren van wat anderen uitzochten?

Even hieronder wat grasduinen, wat voorbeelden uit de eerste hoofdstukjes.

In “Some history” wat oergeschiedenis van het spel (iets andere stukken en regels, voorbeelden van potjes schaak vanaf ong. 1000 na Christus ), maar mijn interesse werd  vooral gewekt door een lijst met alle sterkste schakers vanaf 1970 tot 2011. Elk jaar de sterkste vijf, qua elo. Bijna alle daarin  genoemde spelers herinner ik me nog. Je volgde hun verrichtingen, en velen heb ik ook zien spelen, omdat ik vanaf ong. 1955 als toeschouwer geregeld toernooien bezocht. Sterke schakers die fraaie partijen speelden maar dan ineens of geleidelijk van het toneel verdwenen. Namen die voor mij een magische klank behielden: bijv. Fischer, Spassky, Larsen, Tal, Polugajevsky, Shirov, enz. enz. Velen leven zelfs niet meer. Heel erg. En pijnlijk. Ben ik al zo oud?

In “Fate” voorbeelden van missers die een “catastrofe” veroorzaakten.  Bijv. Wat Hesse noemt  “mijn kandidaat voor de meest gedenkwaardige en meest fatale vergissing uit de hele schaakhistorie”

Karpov – Kasparov 1984.

35. Te1xd1

Karpov stond in de match om het wereldkampioenschap 1984 op voorsprong, en niet zo’n beetje. Het stond 5-1   !!! Hij zou de match reglementair  gewonnen hebben bij 6-1.  Hij stond in de diagram stelling alweer op winst. Maar hij vergiste zich en het werd remise. Hierna stortte hij in. Kasparov kwam terug tot 5-3. Vooral door een eindeloze rij remises werd het een martelgang waar geen einde aan leek te komen !  (Er was geen maximum aan het aantal partijen afgesproken.) Na partij 48 was Karpov 10 kg afgevallen, maar Kasparov leek in blakende conditie. De president van de wereldbond gelastte de match af, “in het belang van de gezondheid van beide spelers”. En een nieuwe match voor het volgende jaar werd geconcipieerd. Waarschijnlijk was het een poging om te voorkomen dat Kasparov wereldkamioen zou worden. ( Kasparov was niet zo’n overtuigde communist als Karpov.)  Het hielp niet. De nieuwe match in 1985 over 24 partijen met als uitgangsstand 0-0  (!!!) werd overtuigend gewonnen door Kasparov.

Als Karpov in de diagramstelling niet werktuigelijk geslagen had op d1 , maar 33 a5-a6 had gespeeld zou hij het eindspel gewonnen hebben (daar waren alle experts het over eens) en zou hij  wereldkampioen gebleven zijn. Hij won nu de titel nooit meer terug. Hieronder bij de sterkste voortzettingen voor zwart.

Karpov – Kasparov 1984

In “History repeats itself” betoogt Hesse dat we meestal ten onrechte denken dat het aantal mogelijkheden van het schaakspel zo oneindig is dat je dezelfde stelling zelden of nooit nog eens tegenkomt. Hij geeft frappante voordbeelden dat dat wel gebeurde:

En niet bij de eerste de beste. Bekijk (en probeer de combinatie te onthouden) :

1928     Euwe (wereldkampioen in 1935) tegen Rubinstein (kampioen van Rusland in 1907)

Bijzonder is de herhaling van zo’n stelling zowiezo, maar extra bijzonder als het bij dezelfde schaker nog een keer gebeurt.

Aljechin – Rubinstein 1930

Wat mij ook wel boeide was een hoofdstukje “About the opening”

Als wetenschapper is Hesse erg geïnteresseerd in getallen en statistieken . Hij onderzocht in een database met 3 miljoen partijen de populariteit en de effectiviteit van de als eerste zet mogelijke zetten van het schaakspel.  Elke clubspeler heeft zich wel eens afgevraagd of hij niet eens een andere openingzet zou moeten kiezen. Vooral als hij weer eens smadelijk heeft verloren, of alweer niet verder wist te komen dan een saaie remise. Beginners vragen zich veelal af wat de beste zet 1 is : e2-e4   of d2-d4?  Enigszins gevorderden gaan zich afvragen of ze niet eens moeten gaan kijken naar 1. Pf3 (Bert)  of c2-c4  (Martin, Frank).  Mensen die de openingentheorie inmiddels helemaal zat zijn, gaan bijv. kijken naar 1. b2-b4 (Gerrit?)  (of als ze ook nog een beetje getikt zijn, op zet twee naar de Blackmar-Diemer!). Zelf heb ik al vroeg 1. e4 afgezworen. Ik vond de enorme berg theorie die daaraan te pas kwam te groot, en vooral te moeilijk om te onthouden. Want over het geheel genomen meer combinatoir, minder strategisch. En mijn geheugen was/is bepaald niet mijn sterkste punt. Bovendien had ik de indruk dat meer schakers verstand hadden van en ervaring met de “open en half-openspelen”, dan van en met de “gesloten, of half-gesloten” spelen.  Beter om die ervaring enigszins te omzeilen?

Hesse stelt vast na bestuderen van de getallen:

1. e4 wordt in 50,3 % van de partijen gespeeld. In 53,7 % van die partijen wint wit.  En 27 % van die partijen eindigt in remise.

1. d4 wordt in 31,8 % van de partijen gespeeld. In 55.1 % van die partijen wint wit. En 31 % van die partijen eindigt in remise.

Kleine verschillen dus. Maar geen resultaat om alsnog spijt te krijgen van mijn d4-voorliefde.

Voor andere clubleden nog enkele:

1.Pf3  gespeeld in  7,5 % , met wit gewonnen in 55,2 %,  in 34% remise.

1.c4   gespeeld  in  7,1 %,  met wit gewonnen in 54,7 %,  in 32 % remise.

1.b4   gespeeld in   0.5 %,  met wit gewonnen in 50,8 %,   in 21 % remise.

Andere beginzetten dan deze heb ik op onze clubavonden niet waargenomen. (of niet onthouden)

Hesse concludeert dat de enige reden dat 1.e4 het statistisch wat minder doet dan 1.d4, gelegen is het zwarte succes met de Siciliaan, als wapen voor de counter-attack.

Bij de favorieten voor zwart stelt de onderzoeker vast:

1. De Siciliaanse Najdorf  (5. ….a6), 2. De Siciliaanse Draak  (5. …g6)  3. Klassiek Siciliaans  (5. …Pc6) 4. De Svesnikov Siciliaan (5. … e5)

Pas daarna komen het Spaans, en het Konings-Indisch.

Wat het succes betreft:

De meest succesvolle openingen voor wit zijn:  het  Damegambiet (1.d4 d5 2.c4) en het Engels  (1.c4).

Tot mijn verrassing wordt vastgesteld dat de meest succesvolle openingen voor zwart zijn:

Het Nimzo-Indisch (1. d4 e6 2. c4  Pf6)  en ……  de Pirc ( 1. e4 d6 en later g6)  !?  Een opening die ik zelf een flink aantal jaren heb gespeeld, maar heb afgezworen, na teleurstellende resultaten. Eigenlijk moet je dat nooit doen. Gewoon blijven spelen, dan ontdek je ooit hoe het beter kan. Je leert vooral van nederlagen. Toch? Misschien wordt het betere resultaat van de Pirc geboekt omdat de database van Hesse niet verder gaat dan 2011? Je ziet die opening vandaag de dag zelden meer. Misschien is hij na 2011 ‘weerlegd’?  Op clubniveau had ik zelf toen al ontdekt dat te veel amateurs inmiddels wisten dat je ertegen lang kan rocheren en met g4 en h4 en Tdg1 de zwarte koningsstelling aanvallen. Niet echt lollig voor zwart, vond ik.

Verder noemt Hesse de slechtste opening voor wit 1. f4

En de opening met de meeste remises: De Bogoljubov- variant.  (1. d4 Pf6  2. c4 e6  3. Pf3, Lb4+) en de Grünfeld (1. d4 Pf6  2. c4 g6  3.Pc3 d5!)

Enfin. Wel leuk als je je een heel leven toch een beetje met openingen-theorie hebt beziggehouden. Voor de theorie-ontkenners in ons schaakclubje is dit hoofdstukje natuurlijk minder interessant.

(Voorlopig) Tenslotte:

Leuke verhaaltjes in “Time and time forfaits”:

Zoals in het leven in het algemeen is tijd een belangrijke factor in schaak. Dat was niet altijd zo.  De regel dat overschrijden van de tijdslimiet een nederlaag betekent bestaat pas ongeveer 100 jaar. Staunton  (1810- 1874, waarschijnlijk destijds de sterkste schaakspeler van de wereld) was van mening dat overschrijden van de tijdslimiet een geldboete zou moeten betekenen. Maar weldra bleek dat er spelers waren die zulke hoge boetes opbouwden dat ze ze niet meer konden betalen. Dat was een tikkie onpraktisch.

Er zijn heel wat partijen geweest waarin die tijdnood een beslissende rol speelde. Hesse geeft o.a. het voorbeeld van Larsen- Georghiu 1970 waarin de zwartspeler, na eerdere talloze nederlagen tegen de sterke Deen (zijn ‘Angstgegner’) eindelijk eens totaal gewonnen staat (een stuk voor)  maar als hij dan zijn arm uitstrekt om de beslissende zet te doen, begint die arm zo te schudden dat hij het stuk niet naar het goede veld zetten kan. Terwijl hij probeerde genoeg wilskracht te verzamelen om dit vreemde verschijnsel de baas te worden, ging hij door zijn klok !!

Ander voorbeeld:

Spasski-Hort 1977

Spasski was in 1972 zijn wereldtitel kwijt geraakt aan Robert Fischer. Maar in 1977 kwam hij er weer dicht bij. Hij won in de kwartfinale tegen Hort en in de halve finale tegen Portisch, maar verloor de finale van de kandidatenmatches tegen Kortsnoj. Die partij tegen Hort in de kwartfinale verliep tragisch Vlastimil Hort was nog nooit zo ver gekomen. Hij stond bij zet 35 op winst! Klaar voor de halve finale! Maar zijn brein weigerde zijn hand het bevel te geven voor de winnende zet. Hij aarzelde lang, en toen …. viel zijn vlag. De gebeurtenis zou Hort diep psychologisch verwond hebben. Hij zei later zelf: “Het was de zwartste dag van mijn leven”

(Zelf heb ik mooie herinneringen aan die Tsjech, uit de tijd dat hij ook in Nederland commentaar bij toernooipartijen verzorgde. Aan zijn snor, zijn humor, en zijn typisch Tsjechische Engels: “toe bie toe or not toe bie toe, zets ze kwezjon.” Natuurlijk kocht ik ook zijn boekje. Misschien iets voor “Uit de kast gekomen”?)

‘In de kast gekomen’ , 1

Ik heb mij natuurlijk voorgenomen te stoppen met het aanschaffen van nieuwe schaakboeken. Ik moet eerst maar wat met die vier (vijf?) resterende meters op mijn  boekenplank die over zijn  na eerdere nogal mislukte  uitdun-pogingen. Bijvoorbeeld een serietje op de website: ‘Uit de kast gekomen’ . Mooi tegen de Corona-saaiheid. Voor de schrijver, en hopelijk soms ook voor de lezer.

Maar helaas. Ik houd van ‘praatschaak’. En ik was al vroeg een bewonderaar van Erika Sziva. Een Hongaarse schaakkampioene, die naar Nederland kwam en daar vertegenwoordigende schaakteams versterkte. Al gauw perfekt Nederlands sprak. Nederlands kampioen werd. Hier naartoe kwam wegens liefde voor een Nederlandse schaker, waar ik ook al vaak wat over had gehoord: Johan van Mil. Bewonderd  om zijn creatieve agressieve stijl. Elkaar ontmoet bij een schaaktoernooi. Romantisch toch? Een vrouw die ook nog kans zag na het veel te vroeg overlijden van die echtgenoot een bedrijf op te zetten, en in leven te houden, dat schaakartikelen verkoopt. ( ‘De Beste Zet’ . Ik heb er alleen maar goede ervaringen mee. ) En die daarbij tegelijkertijd ook nog kans zag twee nogal levendige jongens in haar eentje op te voeden in een lange periode van verdriet.

Dus wat doe je dan als er een boek verschijnt waarin ze haar leven en haar schaakcarrière  beschrijft? Met de mooie titel “Betoverd”.  Gelijk bestellen natuurlijk, bij De Beste Zet.

Ik was wel tevreden toen ik vandaag ons KNSN blad opendeed en zag dat er  een bespreking in stond van The Queens Gambit. Zelfvoldaan omdat ik daarover al drie weken geleden een artikel voor u publiceerde!  Mooi op tijd! Ik was minder tevreden toen ik zag dat er ook een bespreking in stond van “ Betoverd” . Ik heb het net uitgelezen en was van plan daarover te gaan schrijven. En daarmee  ben ik dus eigenlijk te laat.  Ik raad u aan het artikel in het bondsblad eerst te lezen.

Ik zal hieronder dus niet veel vertellen over start, levensloop, successen , e.d. waarover u daar kunt lezen.

Ik vond het een erg aardig boekje. Ze geeft leuke anecdotes,  geeft veel aardige partijen, laat zien hoe moeilijk het voor haar was om van een beroemd mens met een goed inkomen in het schaakvriendelijke  Hongarije te moeten veranderen in een onbekend mens in het weinig schaakvriendelijke Nederland  (zeker als het om vrouwen ging)  van destjjds.  Hoe ze het allemaal redde.  

Ik wil er dus toch iets van laten zien, maar  ik ga me beperken tot wat details die ik leuk vond doch die in het overzichtsartikel in het Bondsblad niet aan bod konden komen. En ik kan u natuurlijk wat voorbeelden  voorschotelen van haar leuke partijen, met ‘bewegende diagrammen’. Wat daar ook niet kan.

Ze schrijft niet alleen over zichzelf, maar ook heel veel over Peter Dely,  de grootmeester die haar talent onderkende, en  aanbood haar te trainen toen ze 14 was. Daarvoor moest ze uit huis weg en helemaal alleen ver weg in Boedapest gaan wonen. De drang om een sterk professioneel schaker te worden was zo heftig dat ze het deed. En ze is haar ouders nog dankbaar dat die haar begrepen en het goed vonden. Eigenlijk onvoorstelbaar, vind ik.

Een ander groot deel van het boek is gewijd aan Johan van Mil,  en wat ze van hem leerde. Veel partijen van hem, en die zijn vaak erg boeiend. Daar stond hij om bekend.

Leuk is het fragment waarin ze vertelt dat Van Mil voor het Ohra-toernooi in 1982 van Eindhoven naar Amsterdam fietste . Daar aangekomen had hij last van zijn voeten, en schoof met blote voeten aan bij de wedstrijdtafel waar de toen erg sterke  Jan Hein Donner wachtte.  Hij versloeg Donner in een mooie partij. Reactie van een geīmponeerde Donner, na te hebben opgegeven ”Hoe sterk zou hij wel niet geweest zijn met schoenen aan !?”

Hier die partij. Als bij de volgende diagrammen,  met commentaar van Sziva!

Ook aardig een partij die Sziva ons bezorgt van Van Mil’s debuut als 17-jarige in de hoofdklasse van de KNSB.

Maar het mooiste vind ik toch wat ze over zichzelf schrijft. Over haar gezwoeg (naast schaken, gezin, zaak) om Nederlandse diploma’s te halen, want zonder kun je hier niet veel. Over sport, lachen met haar partner en lol met vrienden, spanningen rond het schaken, over haar beminde grootouders en ouders, in een beroerde communistische tijd,  over de sterke band met haar familie., enz. Het is zelden schokkend of opzienbarend, maar het is wel warm en menselijk, bescheiden, en eerlijk  (veel persoonlijks wordt ons zonder schroom medegedeeld ) en daarom juist  interessant. Vind ik. Over dat ze  een poosje een bevriende grootmeester Miles te logeren hadden. U weet wel die schaker die ooit een toernooi speelde liggend op een bed wegens rugklachten, die berucht was omdat hij zeer hoorbaar winden liet tijdens zijn partijen, die ooit tegen wereldkampioen Karpov ‘s 1. e4  tot grote consternatie van het publiek antwoordde met 1. …. a6 en … won!  Sziva vertelt dat deze vis na drie dagen niet fris meer was en dat ze hem er na een week weer uitgooiden.

En vaak leuk. Bijv. de belevenissen met het damesteam  bij de abominabel slecht georganiseerde  Olympiade 1998 in Kalmukkië: met drie dames (met Peng en Lanchava)  op één kamer, door het eten met een voedselvergiftiging in het ziekenhuis belanden. Opgesloten zitten op een WC wegens bezwijkend nieuw slot.

Dat ze echt goed kon schaken blijkt uit veel van haar partijen.  Bijv. eentje uit het NK van 1999. Ze was niet in geweldige schaakconditie, want ze was 5 maanden zwanger, en was zeer vermoeid. Haar tegenstandster echter ook. Peng, de record-kampioene, was 6 maanden zwanger en fysiek ook niet optimaal. Toch stonden ze samen bovenaan. Het ging om het Nederlands Dames – kampioenschap. Sziva won.  Het valt mij op hoe eindeloos geduldig de aan elkaar gewaagde dames blijven manoevreren. Veel zetten lijken geen ander doel te hebben dan te wachten tot de ander haar geduld verliest.

Ze verklapt ook dat ze wel eens aan psychologische  oorlogvoering deed. Bij een Olympiade had haar tegenstandster te lang in de zon gezeten en was knalrood verbrand.  Sziza “overlaadde  haar tevoren met informatie over huidkanker”  “ Lalic beweerde zich zo ontzettend overrompeld gevoeld te hebben door mijn uitleg dat ze geen gezonde zet meer kon vinden.”  Maar Miles en Suzan Polgar vonden het gewoon een briljante partij van Sziva.

Twee keer deed ze in de voorrondes voor het NK voor mannen mee. Twee keer bereikte ze de halve finale, De bovenste twee doen mee in de finale. Sziva werd uiteindelijk vierde. Bijna sensatie. Nooit zat er en vrouw bij  in de mannenfinales NK.

Hieronder haar partij tegen Knoppert ( Elo 2340 )   ,   NK 1994

In het laatste hoofdstuk “Het einde of een nieuw begin ”  blikt ze samenvattend terug op wat het leven haar bracht: “Het gat dat het overlijden van Johan van Mil achter liet was op geen enkele manier te vullen. “ Maar nu wat ouder en wijzer,weet ik al te goed dat dit de prijs is die je voor een grote liefde betaalt” ”Toch past een bewogen leven met echte liefde en veel pijn me beter dan een lang en saai  leven met zijn middelmatigheid.”

Ze is dan wel gestopt met professioneel schaak en toernooien, ze schaakt nog steeds. Zonder openingenstudie e.d  En toch sterk!  Getuige enkele partijen,  waaronder een miniatuurtje. Om het clubkampooenschap. Dit vind ik wel de allerleukste partij van het hele boek! Om zo op de club ingemaakt te worden! En door een vrouw! ( Denk ik niet, maar hij? )  Nou  ja, wel door een Nederlands Kampioene.

In 2020 was ze nog clubkampioen van WLC Eindhoven. Zij het na een onvolledig seizoen.

“ Betoverd”   Waardoor? Door een spel en een schaker.  Een boeiend verhaal dat  niet alleen over schaken gaat maar ook over een mensenleven met dromen, plannen en tegenslagen, met plezier en verdriet. Maar ook veel leuke schaakpartijen. Dat ook.

Heel mooi boekje!

Erika Sziva    “Betoverd”      Uitgeverij  De beste zet,  2020

Eindcorrectie moet nog plaatsvinden

Uit de kast gekomen 8

‘Move first, Think later’,  afl 4

Uiteraard besteedt schaakdocent  Hendriks in zijn boek over de manieren om beter te leren schaken  veel positieve aandacht aan de mogelijkheden van de computer. Het zal u niet verbazen dat hij daar ook  nogal wat ernstige waarschuwingen bij in petto heeft. Bijv. In het hoofdstuk ‘The human standard’ . Als u de computer vraagt om een hoogwaardig oordeel over uw stelling,  vergast die u vaak op zeer lange, wijdvertakte analyses, waar u niet zo veel meer aan heeft. Dus roept Hendriks: ‘Ik denk dat het verstandig is de menselijke standaard in de gaten te houden. Wat ligt in uw bereik en wat niet?’ Sla de rest maar over!

( Ik heb zelf  gemerkt  dat  velen van u dat best wel doen gehoord de reacties die ik wel eens krijg op de analyses van prof mr dr K : ‘ dat kan ik toch niet onthouden,’  ‘ dat had ik zelf nooit kunnen bedenken’ ‘ sorry hoor dat begrijp ik allemaal niet”. ) Uw schaaksterkte  zal trouwens belangrijk zijn  voor hoe hoog u de lat van uw eigen menselijke standaard wilt leggen. De een kan er wat mee, de ander niet.

Maar de computer kan u best helpen met het ontdekken van een  door u en wellicht door uw tegenstander gemiste voortzetting die helemaal niet zo moeilijk was. Nuttig dus zo’n computer.. Het bezorgt u weer een herinnering aan een stelling,  die u ooit best weer van pas kan komen.

Voorbeeld van waarschuwing achteraf door de computer:

“Wegens de dreigingen h5-h6 en hxg6 verwachtte ik dat mijn opponent de dames zou gaan ruilen en dat deed hij. Ik was wel tevreden met mijn ‘plan’.   Maar beiden hadden we volgens de computer winst voor wit over het hoofd gezien.

  Hendriks – Van Onzen

Ik schreef eerder al dat bij al mijn  waardering voor dit boek, ik ook wel een enkele keer iets aan mij voorbij laat gaan : uitweidingen over filosofie en psychologie. Waarmee hij zijn ideeën probeert een basis te geven. In hoofdstuk 22 tipt hij even aan  de kwestie Erfelijkheid of Milieu? “aanleg “of  “aangeleerd?” Nature or nurture? Talent of doorzettingsvermogen?  Hij citeert hier o.a. Midas Dekker’s  “De larf” . Die stelt daarin dat ouders zich niet druk hoeven te maken over de opvoeding van hun kind. De larf heeft bij de geboorte al alle eigenschappen in zich waarmee hij later een goede volwassene kan worden. Daar kunnen ouders  niet zo veel aan verknoeien. Dat is weer typisch een conclusie van onze dwarse Midas. Maar psycho-analytici daarentegen  waren erg op zoek naar trauma’s die kinderen  in hun jeugd oplopen: hardhandige vaders , gebrek aan waardering, misbruik. Ik concludeerde uit recente boeken als “Mijn vaders hand” van Bart Chabot en “Mijn ware verhaal” van Karin Bloemen  echter zelf ook weer  dat je na een akelige jeugd toch nog aardig terecht kan komen. Maar dat zijn wellicht uitzonderingen.

We verwachten inmiddels, gezien zijn voorafgaande hoofdstukken, wel dat Hendriks het ervaringen opdoen nog belangrijker vindt dan het talent. “To go to the maximum of your talent , hours have to be spent.”  En “ Talent has one adventage- the right to work harder than others”

Maar talent wordt niet geheel ontkend: stel je hebt met je leerlingen vastgesteld wat wint in onderstaande stelling:

Movefirst4a

(Dxh7 gevolgd door Th5 mat)

En je vraagt  ze later nog eens wat te spelen in een dergelijke stelling dan heeft iemand die gelijk Txb5? speelt duidelijk minder ‘talent’ dan wie Dxh7 speelt.

En wie in onderstaande stelling

daarna ook een soortgelijke combinatie wel ziet en dat 1.  Dxg5 wint, ja die heeft meer talent.   (1. … hxg5 2. Th3+ Kg8 3. Pe7 mat )

In hoofdstuk23 gaat de schrijver zich afvragen welke onderdelen van het schaakspel de meeste aandacht vragen als je er beter in wilt gaan wordenl   (Als we het erover eens zijn dat dat dus niet kan middels een beperkt aantal denkrecepten, maar moet gebeuren door het aanbrengen van een enorm reservoir van langsgekomen stellingen en zetten.)

De tactiek?

Schaakproblemen oplossen verbetert je tactisch vermogen maar ook je rekenvaardigheid. (Zelf noem ik dat laatste liever ‘vermogen om vooruit te zien’. Wat is ‘rekenen’?)   En dat hoeft niet persé te gaan over veel zetten diep. Vraag aan de grootmeester “Hoeveel zetten diep kunt u rekenen?” dan zal hij  wellicht antwoorden : “Niet meer dan één, de beste”. Hendriks varieert : “Diep genoeg.”

Een niet diepe maar wel lastige combinatie  bijv. :

Jadoul – Soos

De opening?

v. Wijgerden (Stappenplan) is niet zo’n voorstander van openingenstudie. Loek van Wely begon pas openingen te bestuderen toen hij een Elo had bereikt van 2400. (Dus Gerrit en Bert bevinden zich in goed gezelschap.) Hendriks nuanceert het  met een voorbeeld van een partij die hij won door betere openingsvoorbereiding.

Het eindspel?

Tja. Misschien. Vaak zit je dan al gauw in tijdnood. Dus handig als je zo’n stelling al in je hoofd hebt. Maar lukt dat? Nunn schreef een boek “Understanding Chess Endgames” met “ the hundred most important endgame-ideas”   IM Hendriks las het natuurlijk. “Tja” zegt Hendriks “als ik nu zou tegenkomen de volgende stelling

Movefirst44

 “ ,waarin zwart speelt het verliezende 87 ….  h2 ipv het remisemakende Kg2 , dan herken ik de exacte stelling  toch niet. Dan  komt er bij mij -als bij de meeste spelers  hoogstens  iets boven als  “ soms remise, soms verloren” en een vaag idee van tactische zaken die hier kunnen spelen : pat,  mat, penning, tempodwang, enz.”

Voor u als beweegbaar diagram:

Wat is essentiële kennis? Bijvoorbeeld matzetten met Loper en Paard. “Maar”, zegt Hendriks, “in de dertig jaar dat ik gespeeld heb, ben ik het maar één keer tegengekomen. En wat te denken van wat bekend staat als de Lucena-positie. Wit moet als hij zijn Koning van het promotieveld van zijn pion wil halen, proberen te ontsnappen aan voortdurende schaakjes!

Dat kan het eenvoudigst met 1. Td4 om “een brug”te bouwen.

 Lucena – positie

Hendriks:  “Een erg bekende voortzetting, en in de top van de lijst van wat je moet weten, maar ik ben dat nog nooit in een eigen partij tegengekomen!”

Hij vindt derhalve dat veel schaakleraren de voordelen van eindspelstudie overschatten. Dus als je zelf zulke studies niet zo leuk vindt, is er weinig reden om je zorgen te maken. Zelf vindt hij het soms toch wel eens leuk om eindspelproblemen op te lossen, want het is wel natuurlijk gewoon schaken! Maar hij doet dat niet met het doel een berg stellingen in je hoofd te stampen.

Strategie?

Middenspelstrategie. Net als bij studie van openingen, tactiek en eindspel moet je kennis opdoen via concrete stellingen. Dat kan je helpen bij stellingen die er op lijken. Maar het is lastiger. Verderop komt hij daar nog op terug. Hij beveelt aan hele partijen na te spelen en vooral de analyses te bekijken. Partijverzamelingen zijn tegenwoordig gemakkelijk te vinden. Boeken. Of op internet live weergegeven partijen van lopende toernooien. Enz.  Eigen partijen met hulp van de computer altijd achteraf analyseren. Vluggertjes op internet  (minimaal 5 minuten) later goed bekijken.

Hij geeft een eigen voorbeeld van leerzame analyse achteraf, dat me zeer aanspreekt. Ik wist alles wat hij hierover schrijft zelf al, omdat ik destijds Colle speelde en na een partij in de externe vrijwel dezelfde stelling met de computer uitvoerig analyseerde en tot dezelfde varianten en ontdekkingen kwam. En inderdaad dat dus zelf in een latere partij herkend en nog eens toegepast heb. Nooit meer vergeten!

Het standaardoffer op h7!

Lxh7offer

In hoofdstuk 24 “Expectations” betoogt de schrijver dat je weliswaar beter leert schaken door stellingen langs te zien komen en schaakproblemen op te lossen, maar dat je in een echte partij niet al gestuurd wordt door de opdracht: “Wat is hier de sterkste zet voor wit?” “Wit wint!” “Mat in drie” Of nog erger: een stelling in het hoofdstuk “pat”  of “blokkade van een vrijpion” , dan weet je al waar je naar moet zoeken.  In een echte partij weten we zelfs nog niet dat er een goede zet voor ons is. We moeten een keuze maken uit een groot aantal alternatieven waarvan we de waarde nog moeten ontdekken.

In hoofdstuk 26 komt hij terug op zijn opmerkingen dat het lastiger is om “puzzels” te maken met strategische voortzettingen. Want als het gaat om tactiek dan is er meestal één duidelijke oplossing. (Computer zou dan bijv. aangeven    +3   en alle alternatieven 0 of minder. ) Als het om strategie gaat ligt dat moeilijker.

In strategische  puzzels zijn de verschillen meestal veel kleiner, en is ook minder duidelijk waarom alternatieven wat minder zijn.

In veel boeken wordt dan alleen de beste zet genoemd, en lees je niets over de alternatieven. Die vaak ook heel goed zijn. Hij geeft een voorbeeld uit Chess Strategy  for Club Players van Herman Grooten.

Kasparov Browne

Grooten laat de lezer kiezen uit vier mogelijkheden. Maar bij de oplossing vermeldt hij alleen het gespeelde 29. Pe5! Als de beste.Omdat de pion op d6 weliswaar zwak lijkt maar na afruil van de blokkerende stukken ook een aanvalswapen kan worden.

Maar, zegt Hendriks, de zwarte koningsstelling is verdacht en  acties in die richting kunnen ook wel heel effectief zijn. Dus zijn ook de andere door Grooten aangegeven keuzemogelijkheden 29 Txe8 en later Pxg5 of 29. h4 of 29. Pxg5 ook sterke zetten. Maar daar zegt hij niets van.

En ook hier waarschuwt Hendriks voor te veel aanwijzingen in de opdracht. “Hoe herinnert wit zijn tegenstander eraan dat zowel d5 als f5 zwakke velden zijn?”  of “In wiens voordeel is het op het bord houden van de Dames.”

Het is kennelijk  heel moeilijk om een goed “strategisch” probleem te maken  of te vinden. Maar ze zijn er wel! En het hoeft niet perse een moeilijk probleem te zijn:

Movefirst4a5

Wat is wits beste?

Tc5! Want dat is de enige manier om te verhinderen dat zwart zich bevrijdt. In werkelijkheid werd gespeeld  1. Pd2? c5! Met voordeel voor zwart.

Een dergelijk schaakprobleem verliest veel charme als je ten gevolge van een aanwijzing niet zelf kan uitvinden wat er aan de hand is.

Computer en strategie

Je kunt natuurlijk gewoon zeggen: computers begrijpen geen strategie! Hendriks: Ik denk niet dat dat (nog) gerechtvaardigd is . Als een programma lang naar een stelling kijkt, zal zijn beslissing in 99% van de gevallen  tamelijk accuraat zijn.  Maar natuurlijk zijn er  verschillen tussen het denken van de mens en van de computer.  Je kunt niet spreken van een “plan” van de computer.

Hendriks geeft een aardige mogelijkheid om uit te vinden wat voor bedoeling een computer heeft met zijn zet!

Sutovsky Ivanchuk

Stel dit is uw stelling, die u wilt analyseren met uw computer. Die zegt 22. .. Kg7  U denkt: Daar begrijp ik niks van! Wat wil hij daarmee?

U  kunt dan een of meer zogenaamde 0-zetten invoeren. Dat kan in de meeste schaakprogramma’s. Hieronder kunt u zien wat de computer na Kg7 zou gaan doen als hij geen tegenspel krijgt. Als je dat geen ‘plan’ wilt noemen, noem het dan maar de ‘bedoeling’.

Ik was wel blij met deze suggestie. Vroeg me al meer dan tien jaar af wat je met doe zogenaamde  0-zet zou moeten.

Natuurlijk heeft Ivanchuk geen computer nodig om een winnende voortzetting te vinden. Wel met een ‘plan(netje)’

Sutovsky – Ivanchuk

Verder doet de schrijver ons nog iets aan de hand om het probleem te omzeilen dat je bij het oplossen van schaakproblemen hebt: je wordt door de opdracht al een beetje gestuurd. Je hebt minstens al te veel het idee dat er iets aan de hand is, iets bijzonders moet zijn. Misschien krijg je zelfs al mee in welke richting je moet zoeken. En meestal gaat het om iets ‘tactisch’. Maar je wilt misschien toch meer strategisch beter worden.

Pak een zet uit een niet geanalyseerde partij uit een partijenverzameling. Probeer te bedenken hoe jij dat zou aanpakken. Vergelijk het met het gespeelde. En voer de stelling in in je computer.Kijk met 0-zetten hoe die het zou aanpakken.

Leuk idee, maar ik denk niet dat u met deze suggestie iets gaat doen. Ik ook niet. U hebt al genoeg werk als u uw eigen partijen achteraf wilt bestuderen.

In het slothoofdstuk herhaalt Hendriks zijn in dit boek geuite ideeën over hoe je wel en hoe je niet een sterkere schaker kunt worden.

Als iemand heel goed is in spelling, is dat geen kwestie van aanleg, maar een gevolg van het jaren lang opbouwen van een enorme hoeveelheid kennis. Als zo iemand in een paar seconden de spelling in een zin controleert is dat gebaseerd op miljoenen acties in zijn brein voor het concept: spelling controleren.

Bij het schaken gaat het ook om een enorme hoeveelheid mogelijkheden. (En de absolute waarheid achterhalen is onmogelijk voor een mens. Computers komen eind verder.) Onze opgedane schaakkennis leidt ons naar de goede zetten. We vinden ze niet als een resultaat van een redenering via regels en vooraf inventariseren van alle kenmerken van de stelling. De zet wordt gevonden door herinneringen aan onze eerdere ervaringen, in concrete posities en concrete zetten.

Voor Hendriks is belangrijk: kritisch zijn op wat je voorgeschoteld krijgt. Niet zonder meer aannemen dat een loperpaar altijd sterker is dan L+P. En kritisch zijn, ook op methodes van schaaktraining en uitgangspunten van schaakboeken. Een beetje bescheidenheid zou ieder passen die schrijft hoe jij je schaak moet verbeteren.

Je leert goed schaken door goed schaak te consumeren. Er is geen manier om te leren slim te denken. Er is geen korte route naar de beste zet door posities te analyseren. De sterkste spelers volgen geen geheime protocollen! Schaken is een rijk spel. Dus we moeten blij zijn dat er geen simpele oplossingen beschikbaar zijn.

De schaakprofessionals hebben wel talent. Maar ze hebben er vooral heel veel studie in gestopt. Er is veel materiaal voor en er zijn veel manieren om dat te doen. Zelf vertrouwde Hendriks op : -schaakproblemen oplossen  – met de computer achteraf zijn eigen partijen bekijken – zwoegen op probleemstellingen en proberen uit te vinden wat de waarheid is. Niet te veel bezig zijn met ‘karakteristieken’ van stellingen, het maken van ‘plannen’, denken volgens een ‘protocol’, regels volgen, ‘kritische momenten’ ervaren, enz. Zetten, lijnen, beslissingen komen voorbij in ons geheugen, en het is mooi als we ze in onze actuele partij herkennen en kunnen  toepassen,  en achteraf voegen we dan wellicht daar een of andere redenering aan toe. Er bestaan geen ‘fundamental rules and secret concepts of chess strategy”. En ja, soms leidt ons trial and error tot een  partij waar we trots op zijn, en soms tot een partij die we het liefst snel zouden willen vergeten.

“Move First , think later”

Dat was het dan. Ik heb met veel genoegen voor u dit interessante boek weer doorgespit. Ik begrijp waarom er zoveel enthousiaste recensies op kwamen. Ook in Engeland en de USA.. Hendriks ventileert erg  verrassende (zelfs tegendraadse) meningen. De enorme hoeveelheid stellingen en partijen die hij toevoegt ter illustratie zijn bijna altijd boeiend en verhelderend.  Je herkent er ook vaak eigen ervaringen in. Ik vind wel dat je aan het eind van je excursie door dat rijke boek af en toe begint te denken : ja, nu weet ik het wel wat jij vindt. En  ja, overdrijf je nu niet een beetje? Of, ja dit sleep je er wel erg met de haren bij. Vooral als hij weer heel erg op de filosofische of psychologische toer gaat. (In mijn ‘uittreksel’  dat ik voor u van dit boek maakte  heb ik u daarvoor behoed. Zulke fragmenten  heb ik maar overgeslagen.)  Of:  je denkt : Maakt Hendriks zich nu niet zelf schuldig aan zo’n zelfde soort wijsneuzerig doceren dat hij bij zijn collega’s zo afwijst?

Blijft toch voor mij overeind:  een heel bijzonder boek. Met bijzondere meningen en heel veel prachtig materiaal waar de eenvoudige  clubspeler van kan leren en  genieten. Ik kon in 4 artikelen er slechts een greep in doen.

Ik zag dat er in juli van dit jaar een nieuw boek van deze auteur is verschenen : “On the origin of good moves”.  Ook als ebook verkrijgbaar. Zal ik toch maar? 

En daar u dan ook mee lastig vallen. Bijvoorbeeld in een nieuwe serie ‘In de kast gekomen’ ? Ik bezweek gisteren al voor een boekje van Erika Sziva, een Hongaars wonderkind, die later met IM Johan van Mil meeging naar Nederland en hem trouwde. Ze was vele malen dameskampioen van Hongarije  en vele malen dameskampioen van Nederland en internationaal damesgrootmeester. En nu de eigenaresse van de prima schaakwinkel ‘De beste zet’ 

Dan zou ik haar boek “Betoverd”  (mooie titel) ook kunnen bespreken op onze site!? Ik denk er nog maar even over.

Eindcorrectie moet nog plaatsvinden.

Tussendoortje : Schakende wonderkinderen

U bent het inmiddels natuurlijk ook wel tegengekomen. Ik zag  het gesignaleerd in o.a. artikelen in De Volkskrant en het Noordhollands Dagblad. En elders. ‘The Queen Gambit’.  Alles lovend. Het is een hype.

Ach, als het schaakspel een rol speelt in een film reageert een beetje schaker al gauw met: Wat een onzin! Wat zich daar afspeelt dat kan helemaal niet. Doen alsof het serieus is: twee grootmeesters die openen met 1 a3 h6. Haha, laat me niet lachen. Ik denk dat politiemensen ook heel hard moeten lachen als ze op de bank naar een krimi op de TV zitten  te kijken. Haha, zo gaat dat in het echt helemaal niet.

Het schaakspel is wel populair bij kunstenaars. Je komt het nogal  eens tegen in literatuur, in de schilderkunst, in de filmkunst. Al in de ridderroman ‘Walewein’,  geschreven in het midden van de 14e eeuw!!  Ridder Walewein gaat voor Koning Arthur proberen het prachtige schaakbord te bemachtigen  dat door de troonzaal zweefde en daarna spoorloos verdween.  Louis Couperus maakte er later een roman van : ‘Het zwevende schaakbord’ . In 1957 zag ik de film ‘Het zevende zegel’ van Ingmar Berman, waarin  ridder Anthonius Block schaakt met de Dood. Als hij verliest kost hem dat zijn leven.

Ach met ons geliefde schaakspel heeft het eigenlijk zelden iets te maken. Het laat wel zien dat  veel buitenstaanders erg onder de indruk zijn van  ons spelletje. Je moet wel heel slim zijn om dat mysterieuze spel te kunnen  begrijpen.  Denken ze . (U weet wel beter!) Komt het daarom zoveel voor in de kunst? (Nu schieten me ook ineens  romans te binnen van 1. Nabokov: De Verdediging Het verhaal van een wereldkampioen die gek is/wordt.  Als ik me goed herinner is die verdediging de Meraner van het Slavisch en 2. Elias Canetti: Het Martyrium. Met daarin een figuur Fischerle, een dwerg die wereldkampioen schaken wil worden en nogal wat trekken vertoont van Bobby Fischer. Het idiote is dat het boek in 1935 verscheen, toen Fischer nog niet geboren was! Canetti voorspelde de toekomst!. ) .  

Wordt The Queen Gambit door zo ongelofelijk veel mensen bekeken, omdat het zo’n raadselachtig spel is? Ook door niet-schakers.  ( Het staat bij Netflix als 2e op de lijst van meest bekeken producties!)

Moet ik die serie zien? Dacht het niet. Is natuurlijk ook allemaal maar onzin, waar een beetje schaker zich aan gaat ergeren.

Maar dan lees ik bij Ger Ligterink  dat de partijen die wonderkind Beth Harmon speelt wel echte ooit gespeelde partijen zijn, van grootmeesters. En dat zelfs Kasparov daartoe zijn medewerking heeft verleend. Ligterink zocht zulke bestaande voorbeeldpartijen op en publiceerde er 2. Hieronder neem ik één over. En ik lees dat Judith Polgar veel in deze serie heeft herkend. En in een interview reageert ook Maaike Keetman enthousiast. (Voor als u die naam niets zegt: ze werd 3e bij het Nederlands Kampioenschap vrouwen in 2017. Ze was toen 17 lentes jong.  Ik herinner me nog goed dat onze Marko Bosnjak me op de club  vertelde dat hij op zijn  school tegen dat meisje had gespeeld en van het bord was geveegd. (Terwijl hij toen bij ons op de club langzaamaan serieus begon mee te tellen.))

Maar ja, Netflix. Ik heb me er wel eens op geabonneerd, maar na een maand weer opgezegd. Allemaal films en series die mij vast niet gingen boeien. Om nu alleen maar voor The Queen Gambit me weer op Netflix aan te melden?

Ik was wel altijd erg geïnteresseerd in schakende wonderkinderen. Ik herinner me nog de opwinding die me beving toen ik in 1958 in  de krant las dat een jongen van 14  van  Reshevski had gewonnen. Nota bene. En hoe!  De partij (zie verderop) kwam in de krant. Daar moest je destijds  je informatie vandaan halen. Nagespeeld natuurlijk. Tjonge.  Tegen Reshevski, een oersterke supergrootmeester met een mooie agressieve stijl. Zelf ooit een wonderkind. Die zelf als jongetje van 8 simultaan speelde tegen heel veel  ervaren clubschakers, en van ze won.  Een ster. Maar jongetje Bobby Fischer zette die inmiddels  in 1959 48-jarige supergrootmeester in zijn hemd. Dat jongetje Bobby heb ik natuurlijk de rest van zijn leven nauwgezet gevolgd.

En natuurlijk ook Judith Polgar. Ze moet een jaar of 15 geweest zijn toen ik, bij een Amsterdams Toernooi  temidden van een menigte mannen ademloos naar dat lieve meisje met die mooie haarvlecht stond te  kijken. Ook hier stond het meeste publiek bij haar b- groep. Veel interessanter dan de a- groep met die beroemde maar saaie supergrootmeesters als Kortsnoi , Timman, Karpov  en dat type van soort. Voor een jeugdpartij zie verderop.

Judith Polgar

Dat ik ook Carlsen’s carrière nauwgezet volgde had u al eerder op deze site gelezen.

 Maar ook die carrière van Jantje Smeets. Twee keer kampioen van Nederland, enige tijd de jongste Nederlandse grootmeester. Ik herinner me dat ik als toeschouwer bij een toernooi in Groningen even in de lagere groepen ging kijken bij mensen die ik kende. Ook weer even bij Jantje Smeets .Die volgde ik al een poosje.  Misschien was hij toen een jaar of 14. Hij speelde tegen een of andere oosteuropiaan. Die stond slechter. Die misdroeg  zich ergerlijk. Alles deed hij om  dat jongetje uit zijn spel te halen. Toen die vent even weg ging om een klacht in te dienen bij de wedstrijdleiding over niks, sprak ik Jantje aan : Laat je niet in de war brengen. Die man is vreselijk onsportief bezig. Waarop Jantje zei : ‘ Ik kan daar wel tegen. Maar zo gaat het wel erg lang duren. Maar ik wil eigenlijk gauw naar huis, want de championsleague-wedstrijd van Ajax wordt vanavond  uitgezonden. Die wil ik zien.’

Ook Beth Harmon een wonderkind. Toch interessant ?

Nou ja, dus toch maar weer bij Netflix  aangemeld, en aflevering 1 gedownload. Na het bekijken ervan was ik niet echt  onder de indruk. Het weesmeisje ziet de conciërge van het weeshuis (waar ze  terecht komt na het verongelukken van haar ouders, en waar ze uiteraard ongelukkig is) met een schaakbord in de weer. Alleen door er zwijgend naar te kijken leert ze de spelregels. Onwaarschijnlijk? Het schijnt wel eens vaker voorgekomen te zijn. Maar toch. Als die norse mijnheer daar toch wel van onder de indruk is,  is hij bereid haar wat basisprincipes uit te leggen. OK. Maar de snelheid waarmee ze dan zonder veel  verdere hulp ( ze heeft niet eens een schaakbord.) zich van allereerste beginner  ontwikkelt tot een meisje van 10 die simultaan speelt tegen de 12 zeer veel oudere   jongens van de schaakclub van de plaatselijke middelbare school en alles wint …. Ja hoor ! Dat mogen niet- schakers mooi vinden, ik geloof er niet in. Maar ik geef toe: de zetten die je ziet spelen, daar is niks mis mee. Dat is wel bijzonder. Dat zijn we niet gewend.  En het blijft zo in de volgende afleveringen.

De razendsnelle ontwikkeling tot wereldkampioen die ze in de volgende 6 afleveringen doormaakt blijft een tikkie onwaarschijnlijk. Vooral in het begin als je haar nauwelijks ziet studeren. Maar wel als eerste eindigen tegen betere clubschakers in lokale toernooien en geldprijzen winnen, zelfs als haar dan nog moet worden uitgelegd hoe een schaakklok werkt, en dat ze haar partij moet noteren. Ja hoor.  Gelukkig zien we haar later wel met stapels schaakboeken sjouwen, krijgt ze verschillende sterke schakers om zich heen die haar coachen, en gaat ze zich met hen voorbereiden op komende tegenstanders. Maar het tempo waarin ze sterker wordt , blijft zeer onwaarschijnlijk  hoog. Maar ik begrijp het wel,  de serie zou natuurlijk anders te saai geworden zijn voor het grotere publiek. Desondanks,  al na aflevering2 merk ik dat ook  ik in de greep raak. Het word toch steeds spannender. Omdat Beth wel steeds meer hindernissen tegenkomt naast haar schaakverrichtingen? Haar drugsverslaving (nota bene opgedaan in het weeshuis want zo hielden ze daar de wezen rustig) wordt steeds bedreigender, evenals haar  alcoholproblemen. De kijker vergeeft het haar. Heel nare  jeugd. En als ze uit het weeshuis wordt bevrijd door adoptie-ouders, gaat in dat gezin ook weer van alles mis. Ze is behoorlijk  contactgestoord, maar met haar  adoptiemoeder ontstaat dan gelukkig wel een goede band. Maar die overlijdt plotseling. Kommer en kwel. Hoe gaat dat aflopen?

Ik word steeds meer een ongezellige huisgenoot. Word zelf ook contact- gestoord. En ook zo bezeten. Aflevering af, zo gauw mogelijk de volgende. En jammer als deel 7 uitgekeken is.

Verbijsterd vraag ik me af waarom  ik nu zo ging  meeleven. Zeker speelde mee dat prachtige hoofd  van hoofdrol  Anya Tayler-Joy. Die ogen !!!!! En wat een  fabelachtig acteren. Beth is alsmaar vrijwel emotieloos. Maar als ze schrikt van een onverwachte sterke zet  of blij is met een winst, zie je dat aan haar ogen! Vaak close up. Die ogen blijf je zien, bijvoorbeeld  als je de slaap maar  niet wilt vatten. En het gaat in de serie om veel meer dan alleen om een schaakcarriëre. Het gaat over tegenslagen in je leven overwinnen, om worstelen met verslavingen, om de grens tussen genialiteit en gekte, om er is meer in het leven dan werk en ambitie, om contactproblemen en vriendschap en liefde. En natuurlijk over gelijke mogelijkheden voor vrouwen. Interessant!

De partij Harmon-Girev  is gebaseerd op de partij Jakovenko-Stellwagen , 2007, Wijk aan Zee. Die eindigde in remise na de zet Txb7. Harmon geeft bij het afbreken (dat deden ze toen nog) de veel sterkere zet h5 af!

Fischer – Reschevski , 1958

Een variant van de Draak of een draak van een variant.

Judith Polgar- Hans Ree , OHRA-B Amsterdam, 1989

Als meisje van 13 versloeg Judith Polgar grootmeester Hans Ree, meermalen kampioen van Nederland. Die werd afgedroogd. Hij schreef ooit “Als ik ga verliezen van kleine meisjes, is dat misschien een teken dat ik moet stoppen met spelen.” Hij stopte gelukkig niet.

Het verhaal van de Netflix-serie is gebaseerd op een gelijknamig boek van Walter Tevis.
De auteur zegt dat hij geïnspreerd werd door de levens van Fischer (de gekte rondom diens match om de wereldtitel met een Rus, diens contact-gestoordheid , zijn snelle carrière) , van Spasski ( ook wereldkampioen en al zeer jong grootmeester), Vera Menchik ( eerste zeer sterke vrouwelijke schaker,ook een legende die niet kansloos was tegen mensen als Euwe en Aljechin.

Ik zal nog wel wat vergeten zijn. Blij dat ik even weer Netflix op mijn tablet had. Als u  nog niet hebt gekeken …… een aanrader!

Uit de kast gekomen, 7

“Move first, think later”  aflevering 3

Nu ik het boek helemaal opnieuw heb gelezen weet ik het nog beter : er zit zoveel fraais in dat ik het waarschijnlijk ook in deze aflevering niet compleet krijg.

Hendriks filosofeert verder over het ‘maken van een plan’. Hij ziet eigenlijk niet zoveel verschil tussen tactiek en strategie.  Volgens hem switchen we als we schaken niet van combinatie-denken  naar strategisch denken.  Hij heeft bezwaar tegen de terminologie: we  zien  een combinatie en we maken  een plan. Welnee, ook een plan zie je’  Hij wil best toegeven dat het onderscheid soms wel eens nut heeft, maar hij gelooft niet in een ander soort denken voor strategie. En meestal staan we in de partij voor gemengde beslissingen. Hij beweert zelfs dat als u onder ‘strategisch denken’  zou verstaan ‘op een aantal momenten rustig achterover leunen, de tijd nemen,  en nagaan welke kenmerken die u uit uw leerboeken heeft opgedaan in uw stelling aan de orde zijn, en op grond daarvan een plan maken’, dat hij, Hendriks- zelf, nog nooit zo een plan gemaakt heeft.

In hoofdstuk 17 “It plays chess in me” onderhoudt Hendriks ons met wat we verder nog voor een verklaringen kunnen bedenken die van invloed zouden zijn geweest op onze verrichtingen op het bord.  Bijvoorbeeld : psychologische!

Gypser-Ristic 2000

Bijv. : “Hij (Ristic) stond goed, maar daardoor verloor hij zijn gevoel voor gevaar en interpreteerde de manoeuvre Lg4-h3 als een vergissing en niet als een poging tot counterplay.”

Of bijvoorbeeld”

“Ja ik heb wel aan Pe7 gedacht, maar zie je, deze vent maakte me nerveus. Deze vent deed echt irritante zetten, maar ja ik had Pxg6+ moeten spelen dan was alles opgelost, maar ja ik raakte de controle kwijt”  Enzovoort. Beetje herkenbaar?

Er zijn schakers die hun missers realistischer bekijken. Bijvoorbeeld na Jan Hein Donner tegen Eduard Spanjaard (1951)

Donner staat totaal gewonnen. Er zijn veel winnende zetten. Maar wat geschiedt? ….

Ristic regaeerde op zijn blunder met “shit happens”.

Jan Hein Donner deed het veel beschaafder: Die verzuchtte:   “Ja Eduard. Zulke dingen gebeuren”.

Er zijn voor allerlei fouten veel voorkomende verklaringen:”Hij had de b2-pion wel kunnen pakken, maar hij was bang.” “Zij was volledig gefocust op haar eigen aanval en vergat haar eigen kwetsbare koning.” “Opgewonden door de naderende winst, miste hij zwarts reddende mogelijkheid. “ “Omdat ik de moed had opgegeven, merkte ik deze plotselinge mogelijkheid niet op.” Enz.

Hendriks: “Laat mij een fout zien, en ik geef u een psychologische verklaring”

Hij besluit zijn betoog over psychologische factoren met: “Het is heel gevaarlijk om onze schaaktechnische tekortkomingen te “psychologiseren”. Ik wil niet de mogelijkheid van de werking ervan volledig ontkennen, maar fouten zullen veelal van puur schaaktechnische natuur zijn. Ik wil me concentreren of goede zetten en slechte zetten.”

Inmiddels hebben we het idee gekregen dat volgens Hendriks het enige waarmee we onze schaakresultaten kunnen verbeteren  is:  veel schaken, partijen naspelen, onze partijen op de computer na afloop laten analyseren , gewoon veel langs zien komen en je te zijner tijd daardoor zetten en situaties herinneren en dus ‘zien’.  

In hoofdstuk 18 (‘Trust your chess module’) initieert hij het begrip “chess module” voor dat deel van je brein waarin alles ligt opgeslagen wat je gebruikt als je schaakt. Het is er, veel en veelal onbewust. Het is kennis van .., ervaring met.., gevoel voor …  Intuïtie als er gevaar dreigt, gevoel voor je kansen, enz. Opgebouwd vanaf het moment dat je begon te schaken en voortdurend uitgebreid. En daar zul je dan maar op moeten vertrouwen. (Hij vergelijkt het met je ‘taal-module’. Een enorme voorraad woorden, taalregels, spreekwoorden, enz. waar je het mee moet doen als je spreekt. En die naar behoeven boven komen borrelen als je ze nodig hebt. Vanzelf, zonder dat je er bewust naar zoekt.)

Vervolgens beschouwt hij adviezen van bekende schaakleraren om je schaakkracht te verbeteren. Hij behandelt bijv. hun adviezen:  1. ‘Blunder-checq’  en 2. ‘Zoek naar kandidaat-zetten en bekijk vooral de zetten die het meest forcerend zijn.’

‘Blundercheck’ is je losmaken van je voorafgaande gedachten als je besloten hebt om een bepaalde zet te gaan doen. Die toch nog even niet doen, maar eerst met een helder, leeg hoofd nogmaals opnieuw kijken naar eventuele mogelijkheden van de tegenstander die je wellicht hebt gemist.

Hendriks relativeert het sterk: Hoeveel tijd gaat het je kosten!? Wat heb je eraan als je door deze habitude steeds in tijdnood geraakt!? Bovendien: heel vaak helpt het helemaal niet. Je maakt evengoed je fout of blunder!

Charles Hertan’s  ‘Forcing Chess Moves‘ vindt hij een mooi boek, maar vooral vanwege de mooie stellingen die erin langs komen,  en waarvan je indrukken kunt opslaan in je eigen chess module, maar niet wegens diens adviezen. Want soms zijn zijn ‘most forcing’ zetten helemaal niet de most forcing. Hertan krijgt het bijv. moeilijk met wat schakers noemen “de stille zetten”. Zo genoemd omdat het lijkt alsof ze niet zo belangrijk zijn en niets doen, maar in wezen heel sterk en eigenlijk dus toch ‘the most forcing!’

Nee, vertrouwt u maar op uw ‘chess module’.

Ik ben niet erg onder de indruk van dit alles. Ik weet niet of u er  veel aan  zult hebben. Ik weet van mezelf dat ik ook vaak een soort ‘blunder check’ toepaste. En dat het vaak niet hielp. En dat ik inderdaad ook vaak in tijdnood raakte. Maar toch het gevoel had dat het vaak positief werkte, dat het toch nodig was om nog erger te voorkomen.

Toch vermeld ik dit alles omdat Hendriks weer veel erg  leuke voorbeelden geeft. Vooral van te weinig ‘blunder-checking’, enz.  Daar kunt u zich in ieder geval wel mee amuseren. Denk ik. Hoop ik. En het kan u wellicht troosten na eigen tekortkomingen op dit terrein.

Wesley So- Anish Giri  Wijk aan Zee , 2010

So staat heel erg goed. Met Dxd1 gaat hij op de winst af. Maar So ziet iets beters. Had toch nog even moeten checken of er geen lek in de combinatie zat.

Jan van Dorp- David Du Pont  Arnhem 2011

Een partij uit de KNSB-competitie.  De team-captain zei, omdat zijn team achter stond, “Je zult moeten winnen Jan!” Maar het was natuurlijk een grapje, want wit heeft geen compensatie voor de kwaliteit.

Doch wat gebeurt !?

In hoofdstuk 19 ( Quantity is a quality too) neemt Hendriks het op voor de computer. Vroeger dachten we dat het menselijk denken kwalitatief veel beter was dan het brute force denken van de computer.  Jan Hein Donner had een groot vertrouwen in de superioriteit van de menselijke geest. Die schreef lang geleden: “Maar computers kunnen helemaal geen schaak spelen, en zullen dat nooit kunnen, tenminste  niet in de volgende 2000 jaar of zo, want dat zou vragen om een technologie ver voorbij de horizon.”

Nou dat zien we nu wel anders. Hendriks: De menselijke geest  is vooral aan het activeren wat er in zijn chess module zit. Maar de computer creëert ter plekke zelf en controleert ontelbare en ijzingwekkend diepe varianten, met ontelbare zetten. Dus eigenlijk is het andersom: de mens activeert wat al in zijn brein zit en de computer is echt aan het denken en creëert zelf!  (En dan heeft Hendriks in het jaar van zijn boek (2012) nog geen weet van latere zeer opzienbarende ontwikkelingen met programma’s met kunstmatige intelligentie  (Alpha Zero) ). 

Hendriks concludeert: “Kwantiteit kan dus ook kwaliteit betekenen”. Als mens kan je ook (nee : alleen) sterker worden door de kwantiteit van je kennis en ervaring.  Niet de computer-kwantiteit natuurlijk, maar een menselijke kwantiteit.

Hij geeft nog wat voorbeelden van zetten die mensen moeilijk vinden, maar voor computers een peulenschil zijn. Hij rekent daartoe de “backward moves”  (ES: wat ik zou willen vertalen met “zetten uit het achterland”)  Leuk toch?

Molnar – Cherbakov, 1962

Kinova – Krush 2018

Zo, en nu weet ik zeker dat ik mijn artikel nog steeds niet helemaal af heb. Sorry! Dus bereid u voor op nog een vierde, allerallerlaatste aflevering van Hendriks uit de kast!

Eindcorrectie moet nog plaatsvinden.