Categorie archief: Schaak diversen

JAN HEIN DONNER 4

In 1981 begint Donner in de NRC weer eens flink om zich heen te meppen. Eerder waren Lodewijk Prins, Hans Ree, Schakende Vrouwen , de KNSB het mikpunt. Om maar wat te noemen. Hij zal wel eens eerder schimpscheuten hebben geuit over het schaken van een computerprogramma, maar nu gaat hij vol in de aanval. Schaakprogramma’s  kunnen niet schaken, zullen dat waarschijnlijk ook nooit kunnen,  zeker niet in de komende 2000 jaar, en nooit een grootmeester kunnen verslaan. Mensen die wat anders beweren zijn gek, of weten niets van het spel. Die willen er commercieel  van profiteren. Die dingen worden voor veel geld verkocht en verhalen over elo-ratings ervan zijn bedrog om geld te vangen.  Aldus heer Donner.

“Sosonko vertelde dat hij, voor veel geld naar Parijs gelokt om het tegen het nieuwe Franse produkt op dit gebied op te nemen, wel eerst volgegoten was met champagne, waarna hij zich inderdaad nog had moeten inspannen om niet door een blunder tegen het stomme ding te verliezen.  Daarop hadden zijn gastheren natuurlijk gehoopt, het was hun een lief ding waard geweest als hun machine van een echte grootmeester had weten te winnen. Zij zouden er miljoenen aan verdiend hebben. Door deze illusie van een ‘schaakmachine’ heeft het rekentuig als zodanig een hoog aanzien gekregen bij een breed publiek, dat ook bereid is veel geld uit te geven voor volstrekte prullen”   (Uit: Anti-computer , NRC  13 april 1981)

“Natuurlijk zullen er wel mensen zijn die het leuk vinden en ervan verliezen, maar die kunnen ook niet schaken. Heel wat mannen (!) kennen wel de regels, maar begrijpen niets van het spel.  Slechts 26000 personen zijn lid van een schaakclub, maar 75% van hen begrijpt er ook niks van.” ( Uit: idem)

“….. dat  nauwelijks één procent van het totaal aantal mensen dat wel eens een schaakje zet , er inderdaad ook iets van kan. De rest doet maar wat. Ze schaken zoals de gemiddelde Nederlander na een vakantie in Torremolinos Spaans spreekt.Hij kent dan vijfentwintig of vijftig woorden, en heeft zich daarmee misschien zelfs nog enigszins verstaanbaar weten te  maken tegenover het hotelpersoneel, maar met Spaans heeft het niets te maken.”

Niet zo’n wonder dus dat het schaak van de computer zo wordt opgehemeld.  Ja, die kan inderdaad rekenen. En vlug ook.  Bijv. een mat in 8. 

“Maar dat soort geforceerde stellingen is niet zo interessant. Wanneer twee gelijkwaardige spelers tegenover elkaar zitten gaat het om stellingen waarin het evenwicht juist niet is verbroken en waarin dus ook geen eenvoudige beslissende wendingen aanwezig zijn. Dan gaat het om beoordelingen, afwegingen, vermoedens, hopen, vrezen en zekerheden, die niet zo gemakkelijk aan de computer zijn uit te leggen.” ( Uit: Anti-computer II , NRC , 20 juli 1981)

In maart 1982 gebeurt er iets bijzonders. Donner heeft nota bene ingestemd met een partij tegen de toenmalige schaakwereldkampioen der computers, van Bell Telephone Laboratories New York. Hij wilde wel een weddenschap afsluiten dat  de computer kansloos zou zijn tegen hem.   “De weddenschap die ik had voorgesteld was niet aangenomen en meer dan een schamel loon zat er voor mij niet in, hoewel de open telefoonlijn met Amerika heel wat meer gekost moet hebben, maar als mens ben je tegenwoordig een sluitpost op de begroting.”

Donners eigen verslagje van de partij tegen Belle is wel een tikje te positief over zichzelf. Want hij wint wel, maar volgens velen niet erg overtuigend. Maar hij is als altijd best geestig. En hij kan gewoon schrijven!  Van een ex-docent Nederlands krijgt hij zeker alweer een heel hoog cijfer!

“Na vijftien zetten liet het ding weten ‘door zijn openingsrepertoire heen te zijn’ –wat ik toen al lang was –  waarna hij een door mij listig aangeboden gambiet geheel verkeerd beoordeelde en zich liever enige positionele flaters liet ontsnappen, zo afschuwelijk dat een mens ervan zou gaan blozen.  Toen hij na een zet of vijfentwintig geen kant meer uit kon bleek opgeven echter niet in zijn programma opgenomen. In simultaanseances is de laatst overgeblevene ook altijd een jongetje van acht.  Toen alles volstrekt hopeloos voor hem stond  begon het ding  echter  zeer veel ‘denk’-tijd te gebruiken voor zijn zetten, een menselijk trekje, dat mij eigenlijk wel ontroerde, maar de partij onnodig rekte. Na 5 uur en 56 zetten moest tenslotte gearbitreerd worden. Door Olafsson, de president van de Fide, die ook maar even uitgenodigd was om uit IJsland over te komen; het geld kon blijkbaar niet op om de schertsvertoning zoveel mogelijk loos gewicht te verschaffen. Aangezien ik in tussen een toren meer had, stond hij niet voor een zware taak” (Uit : Belle, NRC 9 maart 1982)

In dit artikel fulmineert Donner nog anderhalve blz. verder tegen journalisten die voorwenden verstand te hebben van artificiële intelligentie, en van computers, maar het niet hebben.

Enfin, zoals later door Polgar werd aangetoond dat Donner het mis had met zijn ideeën over het schaken van vrouwen, zo werd later door bijvoorbeeld onze Prof. Dr Mr K. en diergelijke schaakprogramma’s helder gedemonstreerd dat hij ook de plank mis sloeg als het over de kracht van computerschaak ging. Sinds Kasparov in 1997 een match tegen Deep Blue verloor, heeft – geloof ik – nooit meer een schaakgrootmeester zich aan zo’n match gewaagd. De programma’s zijn sindsdien zoveel sterker geworden dat iedereen kansloos is. De laatste ontwikkeling, het programma Alpha Zero, is met zijn artificiële intelligentie zelfs  in staat zichzelf in 4 uur zo sterk te leren schaken dat de traditionele wereldkampioen computerschaak (Stockfish? Komodo?) ook kansloos is.  Een enge ontwikkeling, vind ik.

In 1983 werd Donner (1927) getroffen door een hersenbloeding. Hij kan niet meer spreken, schrijven, lezen, lopen. Na 2 jaar revalidatie kan hij weer redelijk spreken, heel klein beetje lopen, en met één vinger op het toetsenbord schrijven. Hij schrijft stukjes , vooral over zijn verblijf in een verzorgingshuis. Wat hij schrijft kan hij niet meer teruglezen, dus het moet in één keer goed zijn. “Hij moet alles in zijn hoofd rond hebben voor het op papier komt. Hij heeft zijn strategie: als hij zijn eerste zin opschrijft weet hij hoe zijn laatste zal eindigen. Zet, zet, mat. Hij heeft het brein van een schaker. En aangezien hij door geen tegenpartij onderbroken wordt is hij een schaker die wint.”    (Voorwoord ‘Slecht nieuws voor iedereen’  van Renate Rubinstein (een BN-vriendin van Donner))

De  stukjes  worden gepubliceerd in de NRC.  En later gebundeld in “Na mijn dood geschreven” (1986) en “Slecht nieuws voor iedereen” (1987). In 1987 krijgt hij daarvoor de Henriëtte Roland Holst-prijs.

Het moeizame werk eraan hield hem nog een poos overeind. Hij verdiende er geld mee, en waardering. Zonder dat had hij zijn zelfrespect geheel verloren en de brui aan het leven gegeven.

Soms lijkt hij iets menslievender te zijn geworden. Maar toch, ook vaak blijkt zijn venijnigheid nog lang niet  uitgedoofd.

BiJv.  in een stukje over Mulisch (2) (waar hij zijn hele leven op studeerde en over publiceerde om de meerduidigheid van diens werken te laten zien en verklaren) : “Er is zeker lef voor nodig om hier met meerduidigheid voor de dag te komen. Want hier wonen de Nederlanders, een hysterisch, door en door sentimenteel volkje, en is het CDA  de grootste partij. Tegenover elkaar maken zij zich verstaanbaar door middel van harde keelgeluiden, waarbij hun ideaal een kraakheldere volstrekt eenduidige taal is, want daarin kun je zo leuk schelden.”

Er zijn toen hij nog niet invalide was, nog wel meer boekjes van hem verschenen. Bijv. over het werk van Mulisch. O.a.  ‘Mulisch, naar ik veronderstel’ (1971) Dat moest ik natuurlijk hebben, hebben, hebben. Een boek van een bewonderde schaker/schrijver over een bewonderde auteur, over een bewonderd boek (‘Het stenen bruidsbed’-) dat voor mijn werk ook wel van belang was, en waar men best wat  extra uitleg van een insider bij kon gebruiken. Maar ik moet beschaamd toegeven dat ik het nooit uitgelezen heb. Ik begreep er te veel niet van. Hier en daar vond ik het acabadabra, waar ik niets mee opschoot.  Ja, ik was dus ook een lid van het hysterische , romantische volkje, dat niet van meerduidigheid houdt. Gelukkig was ik niet de enige. De recensies waren zeer matig.

Opvallend vind ik  dat  ondanks Donners ontelbare schimpscheuten op alles en iedereen, er toch nog  wel wat vrienden, kennissen, bewonderaars waren overgebleven die hem opzochten. “De schakers zijn heel goed voor mij”   Bij het verzorgingshuis kwamen geregeld o.a. Renate Rubinstein, Mulisch, Max Pam, Hans Ree, Orbaan, Sosonko, Timman, Withuis.   Hij overleed aldaar in 1988.

Tot slot enkele van zijn betere schaakpartijen. ‘Eindelijk’ zult u verzuchten. Er zijn heel veel mooie partijen te vinden van onze kampioen blunderaar. Evert Jan Straat verzamelde veel van zijn partijen in zijn leuke boekje  “ J.H.Donner grootmeester” (1993) . Daar vind je toch best veel verbazingwekkende schaakprestaties. Om maar wat te noemen: winstpartijen tegen Anthony Miles (1977), Timman (1973), Sosonko (1973), Spassky, in 1972 nog wereldkampioen, (1973), Hort  (1973), Ivkov (1972), Keene (1971), Larsen (1970), Smyslov , wereldkampioen 1958-59 (1967), FISCHER , wereldkampioen 1972-75,  (1962. Toegegeven: toen was Fischer pas 19 jaren oud) , en nog veel veel meer.

De opzienbarendste kan ik hier niet publiceren, omdat veel partijen van Donner zeer strategisch en subtiel zijn, vaak dus minder boeiend voor ons, eenvoudige amateurs, en dus ook wegens het grote aantal zetten niet handig in een ‘leefbaar diagram’ na te spelen. Maar wat u hierna aantreft zult u vast wel leuk vinden. Hoewel ik ze selecteerde op lengte, bekendheid en kracht van de tegenstander valt me achteraf nog iets op: Het lijkt of Donner op zijn best was tegen tegenstanders die een nogal agressieve stijl hadden. Die lopen dan met hun kop tegen de muur. Het valt ook op dat in de door mij gekozen winstpartijen toevallig Donner meestal zwart had. Hij was kennelijk het best als hij onder druk stond.

Spasski,  (1937- nu)  , wereldkampioen 1969-1972,  al grootmeester toen hij 18 was, speelde vaak heel scherpe openingen. Het enigszins verdachte Konigsgambiet bijvoorbeeld, ook tegen de sterkste grootmeesters uit zijn tijd. Ook in de volgende partij, Siciliaan-Scheveninger,  gaat hij vol in de aanval: Maar Donner blijft kalm en weerlegt de agressiviteit.

Spassky – Donner   1973



László Szabó 19171998 had ook een nogal agressieve stijl. In deze partij wordt het de vierpionnen-variant van het Konings-Indisch.  Euwe noemde ooit die vier pionnen “een kolos op slappe benen”. Maar dat bleek later een wat te gemakkelijke taxatie. Veel grootmeesters speelden het toch omdat het dan weliswaar misschien niet de sterkste voortzetting is tegen het KI, maar wel de agressiefste en de leukste. Vond ik ook. Dat zal Bert zich nog wel herinneren. Tenzij hij die herinneringen verdrongen heeft. Dat kan natuurlijk.

Szabo-Donner 1968



Unzicker.  (1925-2006)  “Zijn internationale carrière begon vlak na WOII en tot 1970 was hij de sterkste Duitse schaker. Hij werd tussen 1948 en 1965 zeven keer West-Duits kampioen en tussen 1950 en 1978 speelde Unzicker mee in twaalf Schaakolympiaden. In tien ervan speelde hij aan het eerste bord. In totaal speelde hij 386 keer voor het nationale team. Maar Wolfgang Unzicker werd nooit schaakprofessional; hij studeerde rechten en was in het burgerleven effectief rechter. Als schaker was hij een expert in de open openingen. Hij won ooit van Tal, van Keres, en Botwinnik. “  (Uit Wikipedia) Geen kleine jongen dus.   

Ook hier de Scheveninger van het Siciliaans. Kennelijk nogal populair toen. Ook hier een agressieve witspeler. Ook hier raakt Donner er niet van onder de indruk.

Commentaar destijds van Sosonko: “De variant die Donner in deze partij kiest, was aan het eind van de jaren vijftig begin jaren zestig in de mode. Ook Fischer speelde hem vaak. Later in onbruik geraakt. De witte aanval is te gevaarlijk. Unzicker speelt de opening solide, wacht een paar keer met het aktieve, voor zwart zeer gevaarlijke f4-f5 en doet deze zet pas na 15. b4 waarmee ook zijn koningsstelling is verzwakt.”

“Donner speelt zeer ondernemend (28 …  Td8)” Het slotaccoord (34 … Te4!) is niet moeilijk, maar mooi. Een zeer instructieve partij van Donner, een van de beste uit zijn oeuvre.”

Unzicker – Donner  1965



Larsen  (1935-2010)  In de jaren zestig was hij een sterke toernooispeler. Hij was  grootmeester. Larsen won zowel in 1960 als in 1961 het Hoogoventoernooi. Bekend om zijn creatieve en onorthodoxe stijl van spelen, was hij de eerste westerse speler die een serieuze uitdaging was voor de  toenmalige dominantie van de SovjetUnie in het schaken. 

In deze partij zien we Donner van het begin af aan in een agressieve en tactische rol.  Dat kan hij dus toch ook wel!

Donner-Larsen 1970



Hier wil ik het maar bij laten.

Met dank aan Evert Jan StraatAlexander Münninghof, en ….. Donner!

Helaas twee van hen hebben inmiddels het tijdelijke met het eeuwige verwisseld. Voor de schakers een verschrikkelijk verlies.

Ik hoop dat mijn dank ze toch in hun hogere sferen ter ore komt.

Eindcorrectie moet nog  plaatsvinden. Ziet u fouten, waarschuw me dan.


JAN HEIN DONNER 3

Nee, Donner was niet alleen maar grappig. Ja, hij werd ook gevreesd.

Op de achterflap van De Koning kunt u lezen: “Er wordt veel beledigd in dit boek. Men kan rustig stellen dat iemand die nooit door Donner is beledigd, niets in het Nederlandse schaakleven te betekenen had. Maar met zijn gevit maakte Donner zich juist ook geliefd. Ongetwijfeld was dat omdat ook zijn grootste woedeaanval wel een kern van waarheid bevatte, en omdat zijn in azijn en ironie gedrenkte bombast zo meesterlijk geschreven was.”

Ja, klopt allemaal wel. Maar wat die ‘kern van waarheid’ betreft, dat is ook meestal zo, maar toch  niet altijd. Natuurlijk formuleert  hij het wel echt wat te boud als hij,  als Lodewijk Prins in 1965 kampioen van Nederland is geworden,  in de krant schrijft dat het “een nationale blamage is dat een afgeleefde oude sukkel, die nooit een loper van een paard heeft kunnen onderscheiden, de landstitel heeft weten te veroveren.”   Maar dat Lodewijk Prins niet een erg tot de schakersverbeelding sprekende figuur was, dat klopt wel. Tabe Bas (zanger, schaker (in 1956 ‘open kampioen’ van Nederland) ,  mijn straatgenoot, onze moeders kenden elkaar goed, vriend van Donner!)  vertelde me eens, toen ik (18 lentes oud) bij hem thuis een potje tot leeringhe ende vermaecke tegen hem mocht verliezen,  dat hij op de club was gestopt met tegen Prins partijtjes  te schaken omdat er nooit wat gebeurde, en dat je pas in het eindspel geruisloos op verlies werd gezet. En nooit begreep hoe. Geen gein aan.  

Donner had ook wel gelijk toen hij protesteerde in woord en geschrift tegen de manier waarop de politie optrad tegen de manifestaties van de provo -beweging, Of tegen de manier waarop het Nederlands schaakteam werd  samengesteld, tegen de benedenmaatse vergoeding van schaakwerk, enz.,enz.

Hij sloeg wel de plank mis als hij weer eens ongenuanceerd beschreef waarom vrouwen niet kunnen schaken en waarom computers nooit schaakgrootmeesters zouden kunnen verslaan.  Vooral dat eerste werd hem op grote schaal kwalijk genomen. Ik denk dat we vandaagdedag dat wel kunnen begrijpen.

Uit  ‘ Vrouwen kunnen niet schaken’  (aug. 1972) :

“Het verschil tussen de seksen in het schaakspel is opmerkelijk groot, maar naar mijn mening niet groter dan op enig ander gebied van culturele werkzaamheid. Vrouwen kunnen niet schaken, maar ze kunnen ook niet schilderen ( ES : ???? ) , niet schrijven ( ES: ???? ) , niet filosoferen, en in feite is er eigenlijk nooit iets door een vrouw gedacht of gemaakt wat de moeite van het kennisnemen waard was. Het ligt dus niet aan het schaken, laten we wel wezen. Hoe het dan wel komt? In de eerste plaats natuurlijk omdat vrouwen veel dommer zijn dan mannen. “

Nogal onthutsend. Verderop schrijft Donner dan  wel weer iets wat de scherpe kantjes een beetje botter maakt, maar toch …     En wat moeten we nu met de slotzin… : “Geen gedachte zo groot of een vrouw kan hem tot onzin maken. “

Hier kreeg heer Donner  uiteraard heel veel reacties op. In oktober 1972  gebruikte hij die om weer een koddig stuk te schrijven. Hij herhaalde zijn argumenten en gooide vervolgens nog wat olie op het vuur.

“Ik werd zelfs van discriminatie beschuldigd. “Donner heeft vergeten negers aan zijn stelling toe te voegen. Het zou moeten zijn ”vrouwen en negers kunnen niet schaken, want zij zijn dommer dan wij”  werd mij door een mevrouw uit Amsterdam in de schoenen geschoven. Deze mevrouw heeft het niet goed begrepen. Negers kunnen best schaken, maar negerinnen niet!”

Na het citeren van een manlijke bedreiging   “Zo, provo, wij komen straks bij jou thuis ….  eens mooi de boel kort en klein slaan, schoft!” vervolgt hij: 

“Krasse taal, maar typisch mannelijk. Vrouwen doen dat anders: “Nee, mijnheer Donner, ik zeg niet wie ik ben, maar ik heb uw stukje gelezen en wilde u wel zeggen, dat ik vind, dat u niet goed wijs bent. U bent ziek, meneer, en u hoort in een gesticht thuis.”   Kijk dat is nu  het verschil: mannen willen je een pak slaag geven, maar vrouwen willen je verzorgen.”

We zijn misschien heden dankzij verschillende eigentijdse cabarettiers wat meer gewend geraakt aan dit soort uitspraken die juist het tegendeel willen zeggen van wat de letterlijke tekst beweert. Moeten we dat bij Donner ook zo opvatten? Gewoon een geintje om lezers op stang te jagen. Om ze te laten nadenken? Misschien. Was hij een vrouwenhater? Daar lijkt het niet op. Hij is een half jaar eerder voor de 2e keer getrouwd met Marian Coeterier (geb. 1939), juriste. Uit latere uitspraken kan men best wel afleiden dat dat een goed huwelijk was. En weer zien we hier het stijlverschijnsel dat de schrijver aan het eind van zijn verhaal gas terugneemt.

Vrouwen zijn dommer dan mannen?   “Ook ik kan er weinig verstandigs over zeggen en als ik dat toch steeds maar weer probeer, dan is dat misschien alleen maar omdat mijn vrouw er zo verschrikkelijk om moet lachen.”

Maar het blijft een favoriet onderwerp voor hem. Na zijn hersenbloeding, kort voor zijn dood, als hij met één vinger nog stukjes voor de krant typt (later o.a. verzameld in ‘Slecht nieuws voor iedereen’(1987) , schrijft hij bijv. in ‘Correspondentie’ :

(Na een herinnering aan Bobby Fischer: “Hij hield niet van vrouwen. “They always want to touch you”  “ )   “ Geen vrouwvriendelijke bezigheid, dat schaken. Zij kunnen er werkelijk niets van en als zij er wel iets van kunnen, zoals Gaprindasjvili (ES: wereldkampioene 1962-1978) en Tsjiburdanidze  (ES : wereldkampioene 1978-1998), dan spelen zij zo vervelend dat je je geneert dat het spel ooit is uitgevonden”  

Donner zal toen nog niet veel gezien hebben van Judith Polgar, die in 1976 werd geboren. Haar tijd moest nog komen. Ze werd vooral bekend om haar agressieve stijl.Ze weigerde bij de vrouwen mee te spelen. In haar toptijd stond ze in de top van de mannenranglijst. Hoogste Fiderating 2735 (in 2005).   Als Donner dat nog had mogen meemaken! Dan had hij wel anders gepiept. Zij was de weerlegging van zijn pesterige theorieën aangaande het vrouwenschaak.

Wij zijn niet de enigen die zich afvragen of hij het nu wel of niet meende.  Bij zijn tweede vrouw kreeg hij een dochter,  Marian (1974). Dat vond hij ‘een cadeautje’. (Hij had bij zijn eerste vrouw al twee kinderen.) In een interview blikte Marian later terug op haar vader:   “Ik had een lieve vader, die er altijd was voor mij. Hij bracht mij naar school en ging dan terug naar huis om terug naar bed te gaan en haalde mij later weer op van school. Hij was een bohemien en genoot van het nachtleven in de cafés en werkte vaak ‘s nachts. Ik vond hem een grote rokende teddybeer. We gingen samen naar de film en na afloop wilde hij met mij discussiëren wat ik er van vond als kind van zes jaar. Hij nam mij serieus.“

“Mijn vader was goed in het beledigen van mensen, daar zat hij niet mee. Van hem is ook de bekende uitspraak dat vrouwen niet kunnen schaken. Ik ging daar later tegenin omdat ik het niet met hem eens was.”

“Of hij dat nu echt meende of dat hij alleen een steen in de vijver wilde gooien is mij nooit helemaal duidelijk geworden. Maar een steen in de vijver was het zeker.”

In afevering 2 beloofde ik het in aflevering 3 ook te gaan hebben over zijn gevreesd zijn als publicist en als schaker. Ik weet nu dat ik dat hier nu niet rond krijg. Er zal dus een aflevering 4 moeten komen.  Ik wil het dan alsnog hebben over Donner’s al even bijzondere meningen over de rol van de computer bij het schaken en alsnog aan de orde stellen de kracht van Donner als schaker. Om de lezers die helemaal niet zo van bovenstaand praatschaak houden en eigenlijk alleen echt geïnteresseerd ziijn in het schaakaspect zal ik nu toch maar even vast een partijtje tonen waarin Donner zijn schaakvermogen demonstreert. Met zijn eigen commentaar en analyse.

‘En wanneer men mij vraagt naar mijn beste partij dan blijft zeer, zeer  weinig over van de honderden toernooipartijen, die ik in mijn leven speelde. Misschien één. Een zeer korte partij weliswaar, maar toch één, die iets van de perfectie vertoont, die ik altijd hen nagejaagd, maar helaas vrijwel nooit wist te bereiken.  (ES: herkent de lezer hiervan wellicht iets?) Wanneer ik hem hieronder geef dan is dat in diepe erkentelijkheid voor mijn tegenstander van dat moment die mij in staat stelde dit juweeltje te concipiëren.

Donner-Troianescu, 1957



Dit was het voor even. Tot de volgende keer, bij Jan Hein Donnner4.

Slotcorrectie moet nog plaatsvinden.

JAN HEIN DONNER 2

Donner was niet alleen jarenlang onze schaaktopper, maar naar mijn mening ook onze interessantste schaakjournalist. Hij schreef mooie verhalen over schaken, ook vaak over toernooien waar hij zelf aan deelnam. Dat lijkt me best lastig. Dat kost tijd, en die gebruiken grootmeesters  vandaag de dag om zich op de volgende tegenstander voor te bereiden. Ook misschien een beetje verklaring voor Donner’s wisselende successen? Vandaar dat ik zulke schaakjournalistiek van deelnemende grootmeesters tegenwoordig niet meer zie? Maar mooi voor de schaakliefhebber die zo ook eens te lezen krijgt wat er in het gemoed des grootmeesters rondwoelt. Donner schreef voor o.a. De Tijd, Elsevier, Volkskrant, Vrij Nederland, Het Parool.  Over gebrek aan belangstelling had hij dus niet te klagen. Zijn werk was zo bijzonder dat veel ervan later werd verzameld, door Max Pam en Tim Krabbé,  in ‘De Koning ‘, 1987. Ik ben er ten behoeve van de  schrijfselen dezes weer eens met veel genoegen in gaan grasduinen. Weer leuk, bijv. om te  lezen hoe hij openhartig vertelt hoe hij zelf zijn schaakmisstappen ervaart. Ik ga hieronder citeren, uit zijn artikel “Over de rechtvaardigheid van het schaakspel”

Milic-Donner

“Zwart staat nu volkomen gewonnen. Niet alleen heeft hij de kwaliteit, maar hij staat ook zonder dat superieur. Hij kan alles spelen; voor de hand liggend en goed was bijvoorbeeld: 12. …. 0-0-0.  Hier begint de tragedie. Tot op dit ogenblik had ik niet lang gedacht, alleen over de 19e zet een kwartiertje. Alles liep goed, ik zag alles en minachtte mijn tegenstander. Nu echter maakte zich een verlammende twijfel van mij meester. Uit alle hoeken en gaten zag ik witte stukken opduiken, terwijl ik toch ook wist dat wit geen wezenlijke kans had. “Houd je kalm,”zei ik tegen mezelf ,”je staat gewonnen.”  Maar het hielp niet. De beste zet in deze stelling, h5, zag ik wel, en wilde hem ook spelen, raakte echter de toren aan en speelde 22. … Th8-g8. Slechts degene die dit heeft meegemaakt, kan dit begrijpen.”

Donner zal deze partij zelfs nog verliezen. En schrijft dan:  “Na het spelen van zo’n partij heeft men het gevoel geen schaker, maar een smid te zijn. Maar dit geknoei is nog niets vergeleken bij wat ik de volgende partij presteerde. Vol haat zette ik mij weer achter het bord en speelde: “

Hij geeft dan de notatie van de nieuwe partij Donner-Milic. Hij beschrijft hoe hij, omdat hij wilde winnen riskant voortzette, en hoe Milic de stelling niet begreep en dus inderdaad verloren kwam te staan. Hij eindigt dan met:

“De stelling die ontstaan is wordt door fatsoenlijke spelers opgegeven. (ES: Komodo geeft hier 1.70 voor wit. Dus ja:    +- )  De zwartspeler deed dat niet en slaagde erin remise te maken, waar ik mij zo voor schaam dat ik de rest van de partij niet zal laten zien. Et le pion noir dit au pion blanc: ‘Donnèr!’ Dit was niet de eerste maal dat mij zoiets overkwam. Mijn falen tegen Wijnans was aan dit zelfde verschijnsel te danken. Altijd gewonnen komen te staan, nooit winnen. En mijn tweede matchpartij met Euwe, waar ik omstreeks de veertigste zet in remisestelling een pion weggaf, was ook zoiets. Ik houd van alle stellingen. Geef mij een moeilijk positiespel, ik zal het spelen. Geef mij een slechte stelling, ik zal haar spelen, ingewikkelde stellingen en saaie remisestellingen, ik houd ervan en zal mijn uiterste best doen. Maar glad gewonnen stellingen, daar kan ik niet tegen. Er zijn meer spelers in Nederland die dit zielige verschijnsel hebben en over wie men min of meer spottend pleegt te zeggen: “Je geeft maar een pion weg, dan win je wel.”En dit is waarom ik dit alles schrijf onder de titel ‘de rechtvaardigheid van het schaakspel”, want inderdaad de sterkste wint, niet de objectief beste schaker, maar de vasthoudendste vechter, zoals het ook in het leven gaat.”

Donner was kampioen van Nederland in 1954, 1957, 1958.  Daarna kwam hij even niet aan bod. Hans Ree werd het in 1967 en 1969. In 1971/72 werd het een strijd tussen Hans Ree en Donner. Donner maakte publiekelijk bekend dat hij die strijd natuurlijk ging winnen. Hij wilde er wel weddenschappen op afsluiten. Vergeleken met hem was Ree maar een simpel schakertje. Maar hij bleek zijn tegenstander toch onderschat te hebben. Hij verloor de match die nodig was geworden omdat hij met Ree gelijk eindigde ( voor o.a. Timman ! ).

Tot mijn verbazing schrijft hij na die match in  ‘Ik heb dus verloren’ lovend over het spel van Ree. “Hij beheerst het spel in vele facetten, zijn oordeel is nuchter en pessimistisch, zijn tactisch vermogen voortreffelijk en agressief. Ik wist dat niet, maar heb het moeten ondervinden.” In Donner’s publicaties zijn negatieve oordelen over zijn Nederlandse collega’s  aanzienlijk ruimer voorhanden dan positieve, en dat wordt veelal flink sarcastisch getoonzet (en over veel buitenlandse is het oordeel niet anders). Het in dit artikel toegeven van Ree’s klasse zou al een reden zijn om aan te nemen dat Donner niet alleen maar een grappige, maar arrogante gifkikker is, maar misschien toch een echt mens. Maar nog duidelijker wordt dat als je leest:

“ Nadat ik deze partij geheel beheerst had opgegeven en in de beste Angelsaksische traditie mijn tegenstander waardig de hand had gedrukt, rende ik naar huis, waar ik mij brullend en krijsend op mijn bed wierp en de dekens hoog over mijn gezicht rolde. Drie dagen en drie nachten werd ik bezocht door de Erinyen.   Daarna stond ik op, kuste mijn vrouw en overwoog de stand van zaken.” (ES:  Erinyen:  figuren uit de Griekse mythologie. Ze zijn wraakgodinnen, en achtervolgden en kwelden degenen die iets misdaan hadden.) 

Voor iemand van grootmeesterlijke statuur excelleerde Donner in sensationele blunders en niet winnen van gewonnen stellingen. Maar misschien wel even vaak kon hij ook ongelofelijk mazzelen. En ook dat werd dan allesbehalve verhuld.

In ‘Een misdaad tegen het schaakspel’ beschrijft hij hoe hij met zwart totaal verloren komt te staan tegen Matanovic  (1965), doordat hij op de 7e zet een loperoffer op f7 falikant over het hoofd zag. Een vreselijke blunder, maar alweer met dieperliggende oorzaak:  inferieure openingsvoorbereiding.

 1.e4 e5 2.Pf3 Pc6 3.Lb5 a6 4.La4 b5 5.Lb3 Pa5 6.d4 exd4 7.Dxd4 d6?

 8.  Lb3xf7!      (Kxf7  Dd5+)

“Matanovic won één à twee pionnen en stond op een gegeven ogenblik zelfs een stuk voor. Hij had rustig kunnen afwikkelen naar een glad gewonnen eindspel, maar dat was hem te min. Misschien ook ergerde hij zich aan mijn abominabel slechte spel. Ik weet het niet. In ieder geval zag hij een klein schaakje over het hoofd, waarna mat niet meer te verhinderen was. Het duurde even voor ik me had gerealiseerd, dat ik nu had gewonnen. Een vreemde gewaarwording. De gevoelens die een dergelijk staaltje geluk oproepen, zijn niet te beschrijven. Men waant zich de lieveling der goden. Men ervaart een triomf, sterker dan na de fraaiste aanvalspartij die men met grote verdienste tot winst heeft geleid.  Voor Matanovic was het natuurlijk niet zo leuk. Een uur later zat hij nog steeds verbijsterd en niet begrijpend naar het inmiddels leeggeruimde bord te staren. De partij, een misdaad tegen het schaakspel, vindt u hieronder.”

Ik zal hem niet helemaal overnemen, alleen dat ene moment dat tot triomf, respectievelijk verbijstering, leidde.

21. …..  De7-a7+    wit geeft op.

Ik zou gemakkelijk meer van dit soort voorbeelden kunnen laten zien. Ik zal me beperken. Maar er is een passage die er echt uitspringt. Schakers die net als ik van ‘praatschaak’ houden zullen die nooit meer vergeten. Donner’s  beroemde ode, aan een pion. Ik geloof dat ik dat lang geleden al eens heb gebruikt, maar als ik het niet meer zeker weet, weet u het zeker niet.

Hij stond in “Mooi klein ding” , een bespreking van de partij Donner-Velimirovic, Havana 1971

Zijn inleiding van dit  artikel wil ik u ook niet onthouden. Het kan u misschien beter doen begrijpen waarom zijn boek De Koning zo bekend is geworden, en ook een biografie  door Münninghof recent nog in het Engels verscheen.

“Om de ontwikkelingen in de volgende tien zetten beter te begrijpen dient men te beseffen dat de keuze en het verloop van de opening mij met diep  onbehagen vervulden. Vroeger, toen ik nog jong en mooi was, beschouwde ik de Ben Oni   (ES:  1. d4 Pf6  2. c4 c5  3 d5 g6 ) als volstrekt inferieur en een stelling zoals ik die nu op het bord kreeg beschouwde ik met welgevallen en beschouwde de winst slechts als een kwestie van doorzettingsvermogen gecombineerd  met een goede techniek. Tegenwoordig denk ik daar anders over. Wel geloof ik nog steeds dat de Ben Oni als dubieus beschouwd moet worden, maar te vaak ben ik, op soms zeer onbehouwen wijze, met deze agressieve verdediging  van het bord geschopt , om niet te weten dat het schaakspel eigenlijk te moeilijk voor mij is.”

“De persoon van Velimirovic is van een klein gebouwde, fretachtige verschijning.  Hij heeft de blik van een jachtluipaard of cheeta  in de ogen en zijn korte rukken in het achterhoofd en de onderkant van de nek zijn tics die een allesverwoestende agressiviteit verraden. Dit uiterlijk beeld van ongenuanceerde woede wordt nog verhoogd door een vroegtijdige kaalheid.”

Dan volgt de bespreking van de partij waarin Donner beschrijft dat hij de zwarte (Velimirovic)  mogelijkheden verschillende keren zeer onderschat en verloren komt te staan. Maar dat daarna V. de objectiviteit uit het oog  verliest . “Misschien is dit wel het moeilijkst in het schaakspel: objectief blijven als je weet dat je gewonnen staat.”

Ze raken in een eindspel dat voor zwart nog steeds wat beter is, maar dat verknoeit V. “Als ik het niet had gedacht! Daar had ik vergif op willen innemen. Een speler als Velimirovic mist volkomen het geduld om zo’n eindspel rustig af te  knagen.  Die blijft op winst spelen. “

Uiteindelijk staat de volgende stelling op het bord:

43.  Kxb7  Zwart geeft op .   Donner’ kanttekeningetje:

“ Lieve pion op a5. Mooi klein ding, randpion ben je, niet meer dan één veldje mag je bestrijken.  Je bent zo klein, bijna niets en je hebt de hele partij daar op je plaatsje gestaan, maar al die tijd was mijn hoop op jou gevestigd en al mijn angstig hunkeren was voor jou. Ik zag je wel zoals je daar stond, kleine bengel. De mensen dachten natuurlijk dat het om de pion op d5 ging, hij trok hun aandacht, ja ze keken allemaal naar hem, maar jij en ik wisten het wel, het ging om jou, om jou en jou alleen.

Je hebt gewacht stouterd, je hebt je niet opgedrongen, want je wist dat ik al die tijd aan jou dacht en dat je niets hoefde te doen, want dat ik vanzelf wel bij je zou komen. Kleine randpion, je bent nu vrij. Ga je gang, op a8 wacht jou en mij de onuitsprekelijke heerlijkheid. Heb mijn dank, lief klein ding. Ik heb je lief,

 Je Koning”

Dit is geen schaakartikel, dit is literatuur!

Van alle schaakauteurs ken ik er nog maar één die ook zo zijn schaakstukken menselijke eigenschappen toedichtte. Dat vermeldde ik ooit in een artikel over Nimzowitsch. Die ook probeerde boeiende en grappige verhalen te bedenken bij zijn schaaktheorie, in ‘Mein System”. Waardoor je zijn leerstof niet gemakkelijk kon vergeten.  Donner schreef in één van zijn artikelen over dat boek, en het zal u niet verbazen, dat deed hij lovend.

Ik ga het nu maar even hier bij  laten. Misschien hebt u nu de indruk gekregen dat Donner meer een zielig clowntje was dan een gevreesd schaker. Volgende keer zal ik laten zien dat die indruk dan niet juist is. Ik zal laten zien waarom hij gevreesd was, als publicist èn als schaker!

Eindcorrectie moet nog plaatsvinden.

JAN HEIN DONNER, 1

Mijn  artikel over Münninghof besloot ik met de aankondiging dat ik het ook nog wel eens over Jan Hein Donner wilde hebben. Bij dezen. De biografie door A.M, van Donner,  is inspirerend, en gedegen. Ik heb er veel wetenswaardigheden van opgestoken. Met enkele daarvan ga ik u vermoeien. Ik ben wel een beetje bang dat het niet zo boeiend zal zijn voor lieden die in 1980 nog niet eens of nog maar net in de wieg lagen of die daar toen nog maar zo kort tevoren  uitgekropen waren dat ze nog niet aan een serieus partijtje  schaak toegekomen waren. Als ze dan ook nog niet gezegend zijn met wat historische belangstelling dan kunnen ze misschien  een deel van dit verhaal beter overslaan.

Er waren lang maar twee grootmeesters in Nederland.  Jan Hein Donner was lange tijd de tweede na Max Euwe. En van eind jaren vijftig tot 1970 eigenlijk Nederlands sterkste schaker. Hoe was dat begonnen?  

In het jaar 1943 waren de familie Donner (pa was minister geweest en voorzitter van de Hoge Raad, geen kleine jongen )  en de familie Euwe (pa was leraar wiskunde, maar vooral  ex-wereldkampioen schaken na een gewonnen match met Aljechin) met vakantie  in hetzelfde pension in Winterswijk. Vader Donner en vader Euwe, beiden dus toen BN-ers, raakten on speaking  terms. Pa  Donner vroeg aan pa Euwe of zijn 16-jarige  zoontje een partijtje tegen hem mocht schaken. Dat stond Euwe genadiglijk toe. Jan Hein had van een vriendje pas twee jaar eerder de regels geleerd, in 1941. Maar was daarna zich in hoog tempo gaan bekwamen in het spelletje. Om te beginnen met een boekje van Euwe  “ Hoe oom Jan zijn neefje  leerde schaken.” ( Zo begon ik ook, toen ik 11 was, in 1947. ) Hij was bezeten van het spel, deed niet veel anders, zat stiekem met een zakschaakboekje in de klas. Dat kwam zijn schoolresultaten niet ten goede. Hij bleef dus zitten. Hij moet wel erg zenuwachtig zijn geweest toen hij kon spelen met een wereldkampioen. Hij hield het eigenlijk vrij lang vol, veertig zetten. Euwe concludeerde : ‘ Hier zit een veelbelovende schaker in’  en ‘Uw zoon heeft een uitstekende kijk op het spel. ‘

Eigenlijk is Jan Hein vanaf dat moment  totaal verloren. Al zijn energie gaat zitten in het schaakspel. Hij blijft op het gymnasium twee keer zitten. Hij is zeer intelligent, maar doet alleen iets voor wat hem interesseert. Of als het echt even moet. Dan haalt hij in twee etmalen in wat hij in een half jaar heeft laten verslonzen. Zo haalt hij tot ieders verbazing zijn gymnasiumdiploma toch en uiteindelijk na wat vertraging toch het kandidaatsexamen rechten. Maar  intussen is er vaart gekomen in  zijn schakerssuccessen en dan houdt hij de studie verder voor gezien. Hij wordt schaakprofessional. Een van de eerste in Nederland!  Dat kon hij misschien ook wel omdat zijn familie redelijk in de slappe was zat en hij daar dus in geval van nood op terug kon vallen,

Donner boekt in zijn leven fraaie schaakresultaten ( Bijvoorbeeld: winnaar van het  Hoogoventoernooi 1950 , Nederlands Kampioen in 1954, 1957, 1958 o.a. , enz. enz.) en wisselt ze af met vreselijke scores. (Bijv. : 8e in Hoogoventoernooi 1951, laatste in 1952)  En dat overkwam hem wel vaker. Internationaal viel het ook nogal eens een beetje tegen. De Russen waren zijn Angstgegners. Daar won hij vrijwel nooit van. Ik herinner me nog mijn verbazing toen ik in de krant ineens las dat hij 1967 het sterk bezette toernooi in Venetiė won, vóór toenmalig wereldkampioen Petrosian.

Hoe  kwam dat toch? Donner zelf wist het ook niet. Maar hij heeft altijd wel wat opvallend eigenzinnig commentaar:

“Ja, dat toernooi in Venetië verliep goed voor mij. Na ellendige mislukkingen in 1966 en ook nog het begin van dit jaar, eindelijk weer eens een toernooi gewonnen. ‘Hoe komt dat nou?’ vraagt iedereen. Ik ben wel de  laatste die daarop kan antwoorden. Zo’n toernooi winnen, mijne heren, dat gaat vanzelf. Schaken is en blijft een geluksspel. ‘Hoe nu, meneer, ‘ hoor ik roepen. ‘dat is toch het mooie en edele van het schaakspel dat de kansen gelijk zijn en de spelers alles in de hand hebben?’ ‘Zeker mijne heren, maar wie heeft zichzelf in de hand?’

Nou, deze Donner heeft dat zeker niet. Dat vond hij namelijk helemaal niet nodig. Hij leidde wat ‘normale’ mensen een zeer ongeregeld leven vinden. Hij dronk heel veel. Doch zelden water. (Soms wel eens even een korte periode alleen maar melk, om even af te kicken, en er dan weer beter alcoholisch tegenaan te kunnen gaan.) Hij zat uren te oreren bij Reijnders op het Leidseplein. Of bij De Kring bij een stel BN-ers.   Tot diep in de ochtend. Iedereen had ontzag voor de diepzinnigheid van zijn eindeloze redevoeringen over van alles en nog wat,  waarbij bijna niemand in staat gesteld werd  om ook eens wat te berde te brengen. Sommigen gingen hem zelfs daarom ontwijken.  Hij sliep overdag. Rookte als een ketter, zijn hele leven. Veel echte vrienden had hij niet. Schrijver Harry Mulisch was  één van de weinigen.  Donner vond het studeren op schaaktheorie meestal niet zo nodig. Hij was niet lui, maar vond andere dingen belangrijker. Bekend is het verhaal van Mulisch dat Donner eens de geweldige Deense grootmeester Bent Larsen op bezoek had, die iets op een schaakbord aan hem wilde laten zien. Maar Donner bezat geen schaakbord!  Hij kwam het even lenen bij Mulisch. Voorbereiden op as. wedstrijden met tegenstanders deed hij niet vaak.  Een ander verhaal: Donner heeft een internationaal schaaktijdschrift ontdekt dat partijen van meesters en grootmeesters publiceert. Hij laat het zien aan Ree. Donner: “Kijk eens Hans, een nieuw tijdschrift,  alle partijen van de afgelopen tijd. Dat is handig als je je op iemand moet voorbereiden!” Ree kijkt hem verbijsterd aan en reageert beminnelijk: “Maar Hein, dat bestaat al meer dan vijf jaar en alle grootmeesters en meesters gebruiken dat al jaren.”  Donner: “Ach Hans, jij laat je altijd weer van alles wijsmaken.”

Wellicht was zijn ongeregelde leven er de oorzaak van dat hij excelleerde in vreselijke blunders. Tom Krabbé heeft een boekje samengesteld met de blunders van Donner, ‘die dikke in die ruitjesjas’, de Olie B. Bommel van het schaken. Waar menigeen met veel plezier, ook tijdens zijn leven, om gelachen heeft. Münninghof  schrijft “Het zijn de partijtjes waardoor Donner uiteindelijk in het internationale gilde van schaakgrootmeesters de onbetwiste drager van de narrenkap is geworden.” Hij heeft ze opgenomen in zijn biografie. Hieronder zal ik er twee van publiceren. Maar elders schrijft A. M. ook : “Wie meent Donner om deze partijen uit te mogen lachen, begrijpt het niet. Deze verzameling vormt een onvervangbare steun voor ieder, die wel eens smadelijk verliest.”

Verbaas u!

Tot zover nu even. Spoedig zal ik mijn Donner-ontboezemingen vervolgen. O.a. met voorbeelden van zijn evenzeer smakelijke geniale partijen en voortzettingen. En van zijn soms onbegrijpelijke ontsnappingen. En van zijn boosaardige en geestige uitspraken en schrijfsels.

Bouwmeester was een sterke Nederlandse schaakmeester. Hij heeft heel veel Prisma-boekjes over schaken gepubliceerd. Hij had een mooie aanvallende stijl. Hij was lang de nummer 3 van Nederland, na Euwe en Donner. Vaste kracht in het Nederlandse schaakteam. Later een sterke schaakcommentator bij toernooien. Hij is nu 90 jaren jong. Toen hij ong. 82 was zat ik eens naast hem in de commentaarzaal bij een toernooi. “Mijnheer Bouwmeester, schaakt u nog?” “Ja zeker! Ja hoor! Maar …… sssllleeecht!!”



Jansa is een Tsjechische grootmeester. Hij is van 1941, En nog in leven.



Gyula Sax (Boedapest, 18 juni195125 januari2014) was een sterke Hongaarse schaker. Sax was denk ik ook een Angstgegner voor Donner. In de verzameling van Krabbé staan maar liefst drie korte verliespartijen van Donner tegen hem. Tijdens deze partij zou in de persruimte door schaakmeesters geopperd zijn: “Donner weet alleen maar dat 1. e4 e6 Frans is. En verder niets.” Grapje, maar zou zomaar gekund hebben.




ALEXANDER MÜNNINGHOFF

Ik zag enkele weken geleden in mail van schaakhuis ‘De Beste Zet’  dat  ‘Hein Donner ,The Biography’ was verschenen.  Van de hand van Alexander  Münninghoff.  Journalist, Slavist, auteur en ….  schaker  (Elo lang rond de 2000). Het betreft een vertaling in het Engels van zijn “Hein Donner 1927–1988. Een biografische schets ‘ (1994) . Huhhh…?  Nu een vertaling van een biografie van jaren geleden, over een Nederlandse grootneester met niet een supersensationele schaakcarriėre?  Raakt dat nog verkocht? Ja, want  die Donner is nog steeds ook elders op deze aardkloot een bekende figuur. Niet zozeer door zijn schaakpartijen, maar vooral door zijn schrijfsels. Die mondiale populariteit werd namelijk ook veroorzaakt  door een Engelse editie van de kort voor zijn dood verschenen  uitgave van  ‘De Koning’,  een keuze uit Donner’s journalistieke werk plus een aantal van zijn  partijen.  Ik heb de biografie en ‘De Koning’ destijds met veel plezier  in het Nederlands gelezen.  Als die biografie al in mijn boekenkast staat, is het niet zo zinvol om die te kopen. Zoeken dus. Nee, die staat er niet. Dan maar aanschaffen.  Het lezen van de Engelse editie van Donner ging vrij vlot. Het zal u niet ontgaan zijn dat één van de verschijnselen van de Corona-tijd is dat vele thuiszitters  hun huis en hun tuin en hun boekenkasten zijn gaan opruimen. Zo ook uw wepmeester. Ik had het boek bijna uit toen ik bij het opruimen van de boekenkasten ontdekte dat ik de Nederlandse editie natuurlijk wel bezat. Toch niet erg.  Het was een goede training voor mijn niet geweldige Engels, en ook weer een opfrisser voor mijn wat weggezakte informatie met betrekking tot de legendarische Donner. 

En het las plezierig. Munninghof is een heel goede auteur. Hij schreef ook een (eveneens vertaalde en goed gerecenseerde) biografie van Euwe. (1976))  en ook nog een van Fischer.  Maar het meest bekend werd hij door een biografie van zijn eigen leven.  Een tijdlang topper op de bestseller-lijst, prijzen mee gewonnen. Ook wij (mijn eegaa ook) waren heel bewonderend over zijn ‘De stamhouder’ (2014) Ik las ergens bij een alweer positieve recensent dat die zich afvroeg hoe iemand met zo’n getormenteerd leven nog zo stevig in zijn schoenen kan staan. Zijn vader vocht bij de WaffenSS, die heeft hij na de oorlog ook niet meer gezien , de familie vluchtte uit Letland naar Duitsland. Later werd hij als kind uit Duitsland ontvoerd, door familie in Nederland tamelijk liefdeloos opgevoed, vreemd af-en-toe-contact met zijn moeder (18 jaar niet gezien), zelf 3 kinderen verloren aan de dood, enz., enz. Maar hij kon Slavische talen studeren aan de Universiteit, had wel een mooie carriėre als journalist (jarenlang correspondent in Moskou. ) , sprak vele talen, en had dankzij zijn innemende persoonlijkheid veel vrienden en was productief en toch ook vaak een levensgenieter.

Toen ik zijn Engelse ‘Donner’ net uit had, las ik tot mijn schrik in de krant dat hij gestorven was, op 28 april 2020.  Alweer iemand er plotseling tussenuit geknepen die je bewonderde. Iets te jong. Vond je vroeger sterven met 76 best redelijk, als je zelf ouder wordt, verleg je je grenzen. Mij lijkt nu de dood met 96 wel acceptabel.  Wat vreemd dat je zo met iemand ineens nogal intensief bent bezig geweest, en dat die dan  gelijk weer in de krant opduikt. Maar dan wel met een zwart randje!

Ik was behalve onthutst, daarna ook extra tevreden dat ik zijn boek over Donner weer gelezen had. Het voelde als een soort eerbewijs mijnerzijds aan Münninghof. Extra interessant voor mij was natuurlijk dat aan de Engelse uitgave een interview is toegevoegd van Dirk-Jan ten Geuzendam met Harry Mulisch (2008)  0ver diens vriendschap met Donner.  Donner en Mulisch waren lang boezemvrienden. Veel over die vriendschap gebruikte Mulisch later in zijn boek “De ontdekking van de hemel”. Donner stond model voor Onno Quist. Het boek is wel eens beschouwd als ook een eerbewijs aan hun vriendschap. En als zijn magnum opus.

Donner was voor mij ook zo’n onderwerp van bewondering. Ik volgde zijn verrichtingen na 1954, toen schaken voor mij belangrijk werd,  ijverig in de krant. (Computers bestonden nog niet, laat staan internet.)  Vaak was het knudde (dan werd hij laatste bij een Hoogoventoernooi) ,  soms verbijsterend goed. (Hij won driemaal het Hoogoventoernooi, en het meest opzienbarend: hij won het internationale schaaktoernooi in Venetië in 1967, waarbij hij de toenmalige wereldkampioen Tigran Petrosjan en nog een aantal supergrootmeesters achter zich liet.)  

Ik speelde één keer tegen Donner toen hij  een simultaan gaf. Ik was aan het studeren geweest op een jachtvariant van het Siciliaans die toen in de mode was. Dat gebruikte ik, met wat succes. Van Donner was bekend dat hij geen zin had om veel van zijn kostbare tijd aan openingstheorie te besteden. Maar mij viel op dat hij wel degelijk de sterkste zetten benutte die door het toenmalige instrumentarium voor actuele openingenstudie – “De Losbladige Schaakberichten” van Max Euwe-  waren aanbevolen.  Omdat wederzijds de sterkste en modernste zetten waren gespeeld en het aantal stukken op het bord flink was uitgedund, trok ik de stoute schoenen aan en bood remise aan. Ik zie het nog voor me. Ik, opkijkend tegen die boomlange man voor mijn tafeltje. Opkijkend, letterlijk en figuurlijk. En ik hoor hem nog zeggen, met een enigszins hypercorrecte, geaffecteerde stem  (hij was de nazaat van een nogal defige christelijke familie uit het westen des lands met enige belangrijke en beroemde Donners in de stamboom  ) : “Ja, dit kan ik niet meer winnen” , waarna hij een grootmeesterlijke hand uitstak die ik – eenvoudig jong amateurtje – zomaar even mocht schudden. Ik geloof dat ik weken lang die hand niet meer gewassen heb.

In augustus 1983 kreeg hij een hersenbloeding die het hem moeilijk maakte om te spreken en te typen. Hij typte toch, met één vinger, heel korte stukjes die in de NRC werden gepubliceerd. De stukjes zijn verzameld in vier bundeltjes, o.a. Na mijn dood geschreven. Daarvoor kreeg hij in 1987 de Henriette Roland Holst-prijs. Hein Donner overleed op 61-jarige leeftijd in verpleeghuis ‘Vreugdehof’ aan een maagbloeding.

Ik zal een volgende keer nog wat nader ingaan op wat ik over Jan Hein Donner leerde van Münninghoff, en wat meer schrijven over Donner’s journalistieke werk en misschien wat laten zien van zijn beroemdste partijen. (Of beruchtste! Donner was ook beroemd wegens zijn geregeld optredende blunders!).

Alexander Münninghof  (1944-2020),  bedankt.  Rust in vrede!