Categoriearchief: Schaak diversen

SVESHNIKOV OVERLEDEN

Het schokte me wel even. Op mijn leeftijd word je wat te vaak geconfronteerd met de eindigheid van het bestaan. En nu Sveshnikov weer. Alweer zo’n mens die ooit invloed op je had. Waar je ooit wat van geleerd hebt. Anders dan veel andere schakers waar ik ooit wat over schreef (Bronstein, Kortsnoi, Talj, Donner, Prins, Fischer, o.a.) kan ik me niet herinneren hem ooit in levenden lijve te hebben zien optreden. Misschien was hij niet zo vaak in Nederland. Ik zie nu wel bij Wikipedia dat hij in 1981 derde werd bij het Hoogoventoernooi. Misschien dat ik mij toen even van de schakerij had afgewend. Hij won wel enkele toernooien elders, niet zoveel als sommige landgenoten, maar  bijna altijd eindigde hij wel in de top.

Zijn grootste  verdienste voor de schaaksport echter is, denk ik, dat hij rond 1970 een opening uitvond  die er voor de schakers die met de lessen van meester Euwe zijn opgegroeid  belachelijk primitief uitzag. Zwarte koningstelling aan gruzelementen, achtergebleven zwarte pion op d6 , een sterk veld op d5 voor de tegenstander.   Maar tot ieders verbazing bleek het niet echt weerlegd te kunnen worden. Zwart krijgt er sterke mogelijkheden voor terug : centrumpionnen en snelle stukontwikkeling. En nu 50 jaar later wordt het  nog steeds  gespeeld door supertoppers. Bijv door Carlsen tegen Caruana in de match om het wereldkampioenschap. Voor schakers met een superdelux geheugen is het minstens een remisewapen geworden.

Ik heb in mijn leven vaak gezocht naar openingen die me konden helpen om op  ons armzalige onderbondniveau en met mijn armoedige schaakkwaliteit ook eens een partijtje te winnen. Dat lukte gelukkig wel eens dankzij wat meer kennis van een toenmaals nog bijna nooit in onze contreien zichtbare  opening. Liefst moest de kennis daarvan ook kunnen voorkomen dat ik ongelofelijk veel andere openingstheorie in mijn  wrakke geheugen moest zien te injecteren.  Ik was er bij mijn eerste pogingen om wat schaaktheorie machtig te worden, ik was toen 19,   al gauw achter gekomen dat het voor mij onbegonnen werk was om al die openingenboekjes van Euwe door te worstelen en dan ook nog te onthouden. Siciliaans leek me wel wat, maar pffff ……  de Scheveninger, de Najdorf, de Boleslavski, de Draak, de Grand Prix, de  ‘gesloten’  variant , iedere variant  goed voor een heel boek.  Eén van mijn eerste studie-objecten was derhalve wat toen de Jachtvariant heette, ofwel de Lasker-Pelikan heette. 1 e4 c5 2. Pf3 Pc6 3 d4 cxd4 4 Pxd4 e5  Het had geen geweldige reputatie maar het was niet zo bekend!

Niet dat ik er nu zo vaak mee won – gek genoeg werd het in deze agressieve opening toch vaak remise, maar dat was met zwart  toch al iets – maar het gaf wel het genoegen de grote ogen en de schrikachtige blik te zien die de witspeler na je vierde zet opzette. Later werd die variant verder onderzocht en ging tenslotte de Kalasnikov  heten. Vaak echter toch overgaand in de Svesnikov , die ontstaat na 1 e4 c5 2. Pf3 Pc6 3 d4 cxd4 4 Pxd4 Pf6! Pc3 e5 ! Dus als zwart een zet later begint te ‘jagen’.

Ik hield direct na het lid worden van mijn eerste schaakclub (Het Vrije Veld, in 1955) mijn notatieboekjes goed bij. Ik heb ze allemaal nog en ben erin gaan spitten. Mijn eerste ‘jachtspel’  was in 1959. Bij schaakclub Tarrasch.  Mijn eerste ‘jachtspel’ bij Aris de Heer was in maart 1975 tegen Paul(!) Kuijer. En  toen begon al gauw ook bij mij de  Sveshnikov -variatie door te dringen . Een verbeterd jachtspel, hoera !!!!!!  Dat was spekkie voor mijn bekkie. Er kwam steeds meer literatuur over aan de markt !  Ik ging dapper aan de studie. De eerste keer dat ik het gebruikte was in 1977 tegen Th.  Roet, die inmiddels een keer of tien kampioen van (het toen veel ledenrijkere) Aris de Heer was geworden. Het werd de partij uit mijn schaakverleden waar ik het meest trots op ben. Die speelde bovendien een erg belangrijke rol bij het verwerven van mijn 2e clubkampioenschap. Weshalve  hier alsnog mijn dank aan die geweldenaar  Sveshnikov. Ik heb die partij  al eens eerder voor u afgedrukt, dus nu maar niet. (Waar blijven trouwens uw partijen waar u zulke goede (of slechte) herinneringen aan heeft?) Daarna ging ook Roet er zich wat in verdiepen. Maar dat hielp voorlopig niet erg. Een paar weken later was het weer raak. Weer een Sveshnikov, Die ging  als volgt. Roet was niet op zijn best. Wellicht had hij de moed al opgegeven, of begonnen voor hem toen ook de jaren te tellen.

Dankuwel mijnheer Svesnikov.

Hierna vind ik nog wel een twintigtal partijen in mijn notatieboekjes met deze opening, Mijn belangstelling ervoor begon wel te tanen toen ik merkte dat op ons niveau vrijwel niemand het sterkste  6 Pdb5 speelde, maar wegens gebrek aan kennis 6. Pb3 of 6.  Pf3, waarna zwart wel gelijk alle problemen van de nazet te boven is, maar waarna die leuke agressieve stellingen meestal ook gelijk van de baan zijn, met te vaak remise tot gevolg. Althans bij mij.

Inmiddels is de Svesnikov bijna tot op het bot geanalyseerd. Bijna. Want hoewel er inmiddels veel heel dikke boeken over zijn geschreven, worden er nog steeds wel nieuwe mogelijkheden ontdekt. Svesnikov zelf heeft eens opgemerkt dat wit beter de zwarte ‘jacht’-opzet kan voorkomen door 3. Lb5. Een andere mogelijkheid om de Svesnikov (en veel andere Sicilianen) te omzeilen is beginnen met  2 c3. Veel tegenstanders van Svesnikov zagen het al gauw niet meer zitten om tegen deze man het normale Siciliaans te spelen en probeerden het met de Alapin (2 c3) . Met als logisch gevolg dat dit schaakgenie zich daar ook fors in verdiepte. Wat leidde tot een vuistdik boek (574 bladzijden) in 2010 : Evgeny  Sveshnikov : ‘The complete c3 Sicilian  The Alapin Variation by its greatest Expert‘  Hij concludeert met heel veel bewijsmateriaal dat van de 2 mogelijke beste antwoorden – 2 d5 en 2 Pf6 – de laatste toch de beste is. Daar heb ik ook nog wel wat voorbeelden van in mijn boekje, maar die zal ik u besparen, u heeft waarschijnlijk wel genoeg van mijn egotripperij. Maar ik wilde alleen even benadrukken dat ik met het voorafgaande alleen even wilde benadrukken hoe belangrijjk die Svesnikov was. Zelfs voor sommige onderbondschakers. Ik was na enige tijd niet meer de enige adept. Ik verloor bijv. smadelijk in 2001 tegen A. Laan van Caïssa die kennelijk inmiddels ook goed op de hoogte was. Ja, toen was voor mij de  lol er wel een beetje af. Mijn recentere partijen ermee op internet laten ook zien dat er naar mijn  smaak nu te veel eenvoudige schakers zijn die het ook kennen.

Nu even een partij van de grote meester zelf:

Het moge u hieruit duidelijk worden dat Sveshnikov hoorde tot de categorie van agressieve schakers die probeerde de stellingen lekker leuk te houden.

Svesnikov werd in 2017 nog wereldkampioen bij de senioren. Kort voor zijn dood was hij nog actief. Hij stierf woensdag 18 augustus jongstleden op 71-jarige leeftijd aan latere  complicaties van Corona.

Alweer een door mij bewonderd mens overleden. Bah!

Eindcorrectie moet nog plaatsvinden

Uit de kast 20, laatste aflevering

We hadden het de vorige keer over de 1e kandidatenmatch (nog 8 deelnemers). Taimanov verloor dus die eerste partij door een onnauwkeurigheid in gelijke stelling in een laat stadium. Fischer zelf opperde na de zesde partij dat de uitslag 6-0  geflatteerd was, want dat Taimanov veel meer weerstand had geboden dan je aan de uitslag kunt aflezen. In de 2e partij overspeelde Fischer wel zijn tegenstander in de opening , maar liet zijn voordeel glippen, waarvan zijn  tegenstander knap profiteerde en slechts door een wonder won Fischer  die partij, dankzij een blunder vanTaimanov.

Ook in de derde partij creërde Taimanov kansen. Ook nu zag Fischer kans die te neutraliseren en ook nu zat remise er lang in, en won B.F. pas in een laat stadium .Toen T. deze partij had opgegeven voelde hij zich niet goed. Hij had ernstige hoofdpijn. Hij werd naar een ziekenhuis gebracht waar men een veel te hoge bloeddruk constateerde. Een van de deelnemers aan het Russisch team vertelde  veel later dat de slechte gezondheid van T. hem niet verbaasd had. T, was ondervoed, hij at slecht. Hij was te zuinig met het geld dat hij per dag voor zijn verzorging ontving. Hij wilde er liever dingen voor kopen die in de USSR moeilijk te krijgen waren en die hij mee naar huis wilde nemen. Zijn teamleden gingen ervoor in een restaurant eten. Hij niet. Timman schrijft dat hij dat in zijn loopbaan vaker bij Russen heeft zien gebeuren!

In de vierde partij kreeg T.  niet zoveel kans. Interessant voor mij (en verder met name Bert), is dat in deze match T verschillende keren de opening speelde die zijn naam draagt. De Taimanov- variant  van het Siciliaans. Ik heb het zelf veel gespeeld vroeger, en van Bert zag ik het ook heel veel. Het was een poos populair, leek de tand des tijds niet goed te doorstaan, maar tegenwoordig zie je het  weer wat meer bij de echte schakersl

1 e4 c5 2 Pf3 e6 3 d4  cxd 4. Pxd4 Pc6   Oorspronkelijk was -geloof ik- zijn bedoeling na Pge7 een eventueel slaan van wit op c6 te beantwoorden met Pexc6. Maar dat idee hield kennelijk geen stand en het werd toch Pf6 . En daarna  a6 en b5. En de zwarte  koningsloper naar b4 of c5. Dat is het voordeel van dat vroege e6 voordat er d6 gespeeld wordt. (Wat natuulijk ook nog kan vóór Lc5 of Lb4,  maar dan wordt het Schevenings.) De Taimanov Sicilian is een opening die volgens kenners wat minder tactisch en wat meer strategisch zou zijn dan veel andere Siciliaanse varianten ( als bijv. de Najdorf en de Svesnikov).

Fischer pakt de Taimanov-variant in deze vierde partij anders aan. Hij speelt het minder gebruikelijke  6 g3 en 7. Lg2 en heeft er succes mee,

Leuk vind ik de stelling waarin Fischer de partij beslist en daarmee ook de match. Nu, na 4-0, kan T. hem niet meer inhalen.

Timman schrijft: Een stukoffer of een liquidatie? Het is niet helemaal duidelijk hoe we de tekstzet moeten noemen, maar het is duidelijk dat Fischer het lang te voren in gedachten moet hebben gehad.

De vijfde partij speelde T. volgens Timman uitstekend, en hij had voordeel kunnen verwerven. De stelling werd afgebroken in remise-stand , maar na hervatting ontsnapte T. weer een grove blunder!

“Sorry” zei Fischer  tegen T. nadat die de partij had opgegeven.

De laatste partij had een formaliteit kunnen zijn. Voor Fischer stond niets op het spel, en een gedesillusioneerde T. speelde op remise. Maar Fischer speelde nooit op remise, altijd op winst. Dus dat 6e punt moest en zou er ook komen!

Fischer was best mild in zijn beoordeling van Taimanov, maar de Russische autoriteiten minder! Bij de douane vonden ze een verboden boek in zijn bagage, van de communisme-criticus Solzjenitsyn. De douane-official voegde hem toe: “Als je het beter had gedaan tegen Fischer, had je wat mij betreft de verzamelde werken van Solzjenitsyn kunnen invoeren, maar nu … “  Taimanov werden al zijn privileges als topschaker ontnomen. Pas 10 jaar later mocht hij weer meedoen in het toernooi in Wijk aan Zee. Zo ging dat destijds in de USSR.

Niet al te lang hierna kwam de kwartfiinale: tegen Larsen. Een Deen. In die tijd zeker de beste West-Europese schaker.  Hij barstte van het zelfvertrouwen. Na direct twee nederlagen in het interzonetoernooi in Mallorca riep hij dat hij toch in de top zou eindigen. En dat gebeurde. Daarna ventileerde hij dat hij in 1972 wereldkampioen zou worden. Hij vond dat het goed zou zijn als er wereldkampioen zou komen die af en toe eens een partij vergokte! Desondanks dachten de meeste schaakliefhebbers dat de kans dat Fischer de match ging winnen wel iets groter was. Alleen Donner niet. (Die was bevriend met Larsen.)  Die schreef dat Larsen het misschien wel ging winnen. (Larsen kwam wel bij Donner thuis, bijv. om een partij te laten zien. Maar dan bleek dat Donner geen schaakspel bezat, en er eentje bij zijn vriend Harry Mulisch moest gaan lenen.)

Larsen beweerde dat hij de eerste partij van de match tegen Fischer ging winnen en dat Fischer dan zo van streek zou raken dat de kansen voor Larsen zouden stijgen. Larsen had inderdaad eerder twee keer van Fischer gewonnen. (Maar ook drie keer verloren.)

Larsen speelde een prachtige eerste partij. Dat wel. Maar hij verloor desondanks. Op de 34e zet maakte hij een beoordelingsfoutje en dat strafte Fischer af.

[Event “?”] [Site “?”] [Date “2021.08.01”]

Larsen had later een excuus voor zijn falen. Hij opperde dat deze juli-maand alle warmterecords in Denver-Colorado werden gebroken. Het werd tegen de 40 graden Celcius. En dat hij daar niet tegen kon. Timman gaat daar niet in mee. Hij vertelt dat de air-conditioning in de speelruimte en in zijn hotel goed in orde was en dat het dus met die hitte wel meeviel. Maar Larsen had hem ook wel eens verteld dat hij niet tegen de droge lucht van de airconditioning kon! Ook bij Larsen constateerden artsen een te hoge bloeddruk. Daarom kreeg hij ook een keer vier dagen uitstel van zijn volgende match-partij. Fischer vond het best. Die had nergens last van. Die stond in de hitte partijtjes te tennissen.

Dit alles van Timman vernemende, denk ik zelf dat Fischer zijn matches zo vernietigend won omdat hij veel beter tegen de spanningen was opgewassen omdat hij veel zelfvertrouwen had, en zeker toen in een veel gezonder vel stak. Hij at goed, en was heel sportief. En dat zijn slachtoffers zich veel drukker maakten en daar gaat nu eenmaal je bloeddruk van omhoog!

In de tweede partij raakte Fischer in problemen. Maar daar wist hij zich uit te worstelen. En hij won toch , door een blunder van Larsen in remisestelling.

De derde partij won Fischer moeiteloos.

In de vierde partij kreeg Larsen voordeel tegen het Konings-Indisch van Fischer. Maar weer worstelt Fischer zich daaruit. 

En dan krijgt die  weer zo’n typische KoningsIndische aanvalsstelling:

(speciaal voor Bert druk ik hem even af. Ik had hem natuurlijk ook kunnen gebruiken voor de serie Hersenfitness. Hij is leuk!)

De vijfde partij won Fischer omdart de Deen tegen beter weten in op winst bleef spelen ( die wilde nog iets van de eer redden) en ook in de 6e partij wilde Larsen in remisestelling liever vechtend ten onder gaan!

Alweer 6-0.  Ongelofelijk. Donner kwam woorden tekort  en schreef in mijn krant een lange lyrische, bombastische lofzang op Fischers prestatie. O.a.: ‘Het nooit mogelijke, het altijd gedroomde, ontvouwt zich op dit moment in de richting van het absolute. De grote wereldklok, moeder van alle klokken, beierde doordringend schel over het continent : 6-0  6-0 ! “

Fischer zou zich wat meer prozaïsch uitgelaten hebben in zijn samenvatting van de match:  “I played pretty well.”

De Russen begonnen hem intussen te knijpen. Die hadden inmiddels echt wel door dat Fischer een ernstige bedreiging vormde voor de Russische  schaakhegemonie. Er kwam daar een vergadering met alle Russische coaches, officials, en topschakers om de angstaanjagende gebeurtenissen bij de Kandidatenmatches te bespreken. Men vroeg zich af welke Rus het beste kon proberen Fischer al in de halve finale af te stoppen. Liever dan het op een finale Spasski-Fischer te laten aankomen. Daartoe zou men een andere uitslag tussen twee Russen in een andere kwartfinale kunnen manipuleren: Petrosian of Kortchnoi? Men vroeg hun wie dacht de beste kansen te hebben: Kortchnoi was duidelijk: In deze generatie zou niemand een kans hebben tegen Fischer! Maar Petrosian zei nog wel vertrouwen te hebben in zichzelf. Daarna werd Kortsnoi opgedragen te verliezen tegen Petrosian! Als beloning zou hij dan mogen meedoen met drie grote internationale toernooien. Aldus geschiedde!

Eerst was er nog veel gemodder over de plaats waar gespeeld zou worden. Petrosian wilde in Europa, Fischer  voelde meer voor Buenos Aires. Kwestie van waar ze zich het beste thuis voelden, maar ook natuurlijk van de hoogte van het beschikbare prijzengeld voor de winnaar: 12.500$ of 10.000$.

28 september 1971 was de eerste persconferentie in Buenos Aires. Een nogal directe vraag van een journalist aan Petrosian: ‘Denkt u dat de match de volle 12 partijen zal duren? ‘ Suggererend dat Fischer weer series overwinningen zou gaan laten zien. Antwoord van Petrosian: ‘Het is mogelijk dat ik eerder win!’  Fischer’s reactie was: “Ik ben de beste speler in de wereld en ik ben hier om dat te bewijzen. Ik heb tien jaar gewacht op dit moment, maar ik werd steeds gehinderd door Sovjet-manoeuvres. Ik zal Buenos Aires verlaten vóór de 12e partij is gespeeld.”

Natuurlijk was er weer allerlei gedoe: Fischer wilde kleinere pionnen bij de loting voor de kleur bij de eerste partij, want zijn tegenstander zou bij de grotere de kleur ervan tussen zijn vingers door kunnen zien.

Tijdens de eerste partij viel tijdelijk het licht uit. Gevolgd door onenigheid omdat Fischer bij wat schaars licht bleef nadenken toen zijn klok was stil gezet. Petrosian vond dat hij had moeten opstaan en weglopen van het bord. Timman vindt het een vreemde gedachte en zegt dat hij zelf in zo’n situatie ook zou zijn blijven zitten. Als je gaat rondwandelen word je wellicht aangesproken en dan raak je uit je concentratie!

Al in die eerste partij (Sicliaans) laten beide spelers zien hoe geweldig ze zich hebben voorbereid. De grote hoeveelheid analyse-snufjes die op wereldniveau volgden op Taimanov-Fischer 6e matchpartij, in de stelling bij zet 16, kennen ze beiden allemaal! Timman voegt er nog eens 6 bladzijden latere, eigen diepgaande analyses aan toe. (Ik denk dat ik die, als ik het boek opnieuw ga doorspitten, maar ga overslaan.) 

Ze spelen beiden heel sterk in heel moeilijke stelling. Bij de 29e zet stelt Petrosian in inderdaad dan zeer gelijke stelling remise voor. Timman schrijft dat hij dat een teken van nerveusiteit vindt. Petrosian wil kennelijk tot alle prijs voorkomen dat hij de eerste partij verliest. Maar Fischer weigert. Zolang er nog geschaakt kan worden wil hij altijd nog winnen! Hij heeft een vrijpion op de h-lijn, maar volgens iedereen hoeft dat remise niet te voorkomen.

Doch, als zo vaak, doet Fischer’s tegenstander op de 36e zet een paniekzet, die hem alsnog de partij kost.

Maar dan steekt Petrosian een spaak in het wiel. Hij wint met wit de tweede partij (Grünfeld Indisch) in ‘grandioze stijl’ (Timman) .

Het lijkt er nu op dat Fischer niet in zijn beste vorm is. Timman veronderstelt dat hij nog steeds last heeft van een griepje, waarmee hij enkele dagen eerder arriveerde in Buenos Aires. Zelf vindt hij dat geen reden om niet te spelen!

Ook in de derde partij houdt Petrosian gemakkelijk gelijk spel met zwart. Timman spreekt van een verbazingwekkende openingen-superioriteit van Petrosian. Wellicht veroorzaakt doordat Petrosian bij zijn voorbereiding had samengewerkt met een heel team topschakers, terwijl Fischer alles altijd alleen deed! Fischer ontsnapt in deze derde partij met wit zelfs aan verlies, doordat Petrosian remise door 3 keer dezelfde stelling even over het hoofd zag.

In de vierde partij verbaasde Petrosian vriend en vijand door met wit na de 20e zet al remise voor te stellen. Even verbazingwekkend dat Fischer het aannam. Tot de 20e zet volgde Petrosian zijn eigen partij tegen Spassky in Moskou 1969. Die partij eindigde in remise. Petrosian verklaarde later dat hij remise voorstelde omdat hij wilde laten zien dat hij met wit altijd remise zou kunnen maken. ‘Zeker na een opmerking van Fischer dat Kortchnoi en ik in onze match idioot vroege remises maakten.’ Kwestie van psychologische oorlogvoering dus.  Timman vindt het een verkeerde tactiek. In de eerste drie partijen had hij voordelen verworven en dus stond Fischer onder druk. Deze gevechtloze remise moet voor de Amerikaan als een opluchting zijn gekomen. Timman laat zien dat ook Spassky die mening was toegedaan.

Ook de vijfde partij eindigde in remise zonder veel vuurwerk van Fischer. Timman schrijft dat hij zich ongerust ging maken. Ze zaten al bijna op de helft van de match en nog steeds is de stand gelijk. Een finale Spassky-Petrosian gaat tot de mogelijkheden behoren en dat is natuurlijk voor niet-Russen minder interessant.

Timman heeft het nog over onverklaarbare reacties van Petrosian. Op papier gaat het prima met hem, maar hij was steeds in een slechter humeur! De spanning werd hem te veel? Fischer zou daarom van hotel veranderd zijn, omdat hij geen zin had om Taimanov in hun hotel tegen te komen in de lift! Maar wellicht was die verhuizing al eerder gebeurd. Hoe dan ook, vanaf de 6e partij speelt Fischer als herboren. Het wordt wel een lange partij en Fischer wordt een beetje geholpen door het feit dat het Russische secondantenteam het eindspel bij de hervatting na de afgegeven 42e zet niet goed genoeg geanalyseerd heeft. Bij de 66e zet geeft wit op.

Rumoer in het Russische kamp. Verwijten over en weer. Veel zeer geïnteresseerde schakers verwachtten nu een Russisch verzoek om een time-out. Maar dat gebeurde niet. Later bleek dat Petrosian daarvoor een reden had. Drie weken eerder, bij de persconferentie, hadden ze Fischer eraan herinnerd dat hij als jongen na verlies wel eens gehuild had. Fischer antwoordde: “Ja, ik mag dan wel eens gehuild hebben, Russen worden altijd ziek als ze hebben verloren!” Petrosian wilde nu dus zijn rug recht houden.

De 7e partij werd lang een meesterstuk genoemd. Maar nu de computers inmiddels veel sterker zijn geworden, tonen die aan dat er toch verschillende fouten zaten in het spel van Fischer. Timman zegt dat we tegenwoordig hoogstens kunnen stellen dat Fischer goed gebruik maakte van het timide spel van Petrosian en stort zich in de analyses die sindsdien zijn gepubliceerd door de grootste schakers van de wereld. Van Najdorf , Larsen, Botwinnik, Spassky, Kasparov, Byrne,en dat soort jongens. En probeert alsnog daarover het laatste woord te spreken. Petrosian geeft op bij de 34e zet, en moet nu totaal gedemoraliseerd geweest zijn. Hij meldt zich ziek. Artsen stellen een te lage bloeddruk vast. Dat is weer eens iets anders dat je kennelijk ook kan overkomen als je tegen een Fischer speelt. Petrosian krijgt vier dagen uitstel. Fischer protesteert niet. Zijn zelfvertrouwen is volledig terug. Hij verklaart ”Ik zal Spasski onttronen”

Dat Petrosian totaal gedemoraliseerd was laat volgens TImman de 8e partij zien: “Petrosian gooit zich in zijn eigen zwaard”. Had best remise kunnen worden maar hij geeft zonder goede reden bij de 24e zet een pion op. “Een rare fout” vindt Timman.

Petrosian is nu volledig ‘gebroken’ en opent de 9e partij met een raar experiment in het Frans:  1. e4 e6  2. d4 d5  3. Pc3 Pc6?  Normaal natuurlijk 3. Pf6  of 3. Lb4.

Met zulke fratsen heeft een Bobby Fischer geen enkele moeite. Door zijn logisch strategisch spel staat Petrosian al op de 29e zet totaal verloren.

Na deze overwinning kan Petrosian in de resterende drie partijen de achterstand niet meer inhalen: 6,5 – 2,5. Fischer heeft gewonnen. Er volgt een langdurige staande ovatie. In Argentinië is het schaakspel erg populair. Mensenmassa’s voor de deur maken het voor Fischer lastig om het speeltheater te verlaten. Maar het lukt zijn secondanten om hem in een taxi te krijgen. Hij krijgt complimenten van belangrijke personen. Een lang telegram van president Nixon. Zelfs van Spasski, toen nog wereldkampioen. “Ik moet zeggen in alle ernst, dat Fischer schitterend gespeeld heeft. Zijn spel laat een heel goede, plezierige indruk achter.” Waar ook uit blijkt dat Spasski een van de aardigste Russen was van die tijd. Hetgeen ook zou blijken uit zijn geduldige reacties tijdens de match die hij nu met Fischer zal gaan spelen, en uit het feit dat hij eigenlijk altijd een beetje bevriend is gebleven met Fischer, ondanks de nederlaag die ook hij zou lijden. Hij heeft ook later nooit meegedaan met nare dingen over Fischer te ventileren. Dat hij een beetje een buitenbeentje was in het Russische gebeuren moge ook blijken uit het feit dat hij later uitweek naar Frankrijk. (Zoals Sosonko later ‘vluchtte’ naar Nederland en tenslotte naar Zwitserland.)

Fischer had aangekondigd dat hij Buenos Aros voor het eind van de match zou verlaten. Maar dat deed hij niet. Hij bleef nog weken in Argentinë. En baadde zich in de bewondering van de schaakfans, speelde vele simultaans in het hele land. En was verbaasd over de enorme populariteit van het spel en van hemzelf.

Zes maanden later zou hij de match om het wereldkampioenschap spelen in Reykjavik, in een land waar het schaken ook zeer populair is. (Je moet toch wat in zo’n lange, lange, lichtloze winter.) Helaas gaat het boek daar niet meer over.

Dit is het slot van mijn rondje rondkijken in een mooi nieuw boek van

Jan Timman. “The unstoppable American”, uitgave “New in Chess”, 2021.

Met formidabele analyses. Maar ik heb vooral gegrasduind in ‘de schaakpraat’ er omheen. Dat vond ik het leukst. En voor die analyses heb ik nog maanden nodig (Onvoorstelbaar dat Timman zoiets voor elkaar krijgt. Daar zal hij wel een paar jaar voor nodig gehad hebben.), en het leek me nu eens beter om u snel na de publicatie op dit boek te attenderen.

Van harte aanbevolen! Maar u moet er wel wat tijd voor reserveren!

Snel na publicatie, in tegenstelling tot de andere bronnen voor mijn serie ‘Uit de kast gekomen’’ die allemaal uit mijn goeie ouwe tijd waren. Die serie ga ik nu beëindigen. Twintig afleveringen vind ik wel even genoeg. Hopelijk heb u er wat aan gehad. Of neust u er later nog eens in. Hopelijk ook gaan de schakers van Aris de Heer in september weer echt schaken, en leveren zij me het materiaal voor nieuwe artikelen op uw wepsaait.

Ik ben van plan nog wel even door te gaan met de serie “Hersenfitness”. Tot ook daarvan mijn materiaal is uitgedund.

Eindcorrectie moet nog plaatsvinden.

Uit de kast gekomen 19

In een recente aflevering van de schaakrubriek van het Noordhollands Dagblad besteedde  Dimitri  Reinderman aandacht aan een nieuw boek van Jan Timman ‘The unstoppable American’. Over Fischers imponerende overwinningen op weg naar het wereldkampioenschap.

Reinderman schrijft dat hij dacht dat er al zoveel over geschreven is dat alles nu wel bekend zou zijn. Maar dat hij moest constateren dat Timman in zijn boek toch weer voor hem nog niet zo bekende feiten aan het licht brengt. Niet zo vreemd aangezien Timman natuurlijk heel veel topschakers goed gekend heeft en van hen ook verhalen hoorde over die wonderlijke, altijd weer heel opvallend gedrag vertonende, Bobby Fischer (1943-2008.) Verschillende keren weigerde die te spelen als men niet aan zijn (vaak terechte) eisen tegemoet kwam. Zo  liep hij na ruzie met de organisatoren weg uit  een  interzonetoernooi  in 1967 hoewel hij met 8,5 uit 10 bovenaan stond.

Ik herinner me nog goed hoe verbijsterd ik was toen ik destijds in de krant las hoe hij na het interzonetoernooi in Palma in 1970 in de hierop volgende kandidatenmatches achtereenvolgens Tajmanov  (6-0), Larsen (6-0) en Petrosian (6,5-2,5) verpletterde. Dat waren wel allemaal supergrootmeesters met enorme resultaten op hun conto. Daarna mocht hij de wereldkampioen Spasski uitdagen. De ‘match van de eeuw’ werd dat genoemd. En dat werd het ook. Wat zich  daar op IJsland allemaal afspeelde, was nauwelijks te bevatten. Voortdurend dreigde Fischer de hele match af te blazen. Er moesten een Minister van defensie van de VS en een superstrateeg als onze oud-wereldkampioen Max Euwe, en veel geld investerende rijkaards, en het geduld en eigenzinnigheid  van de wereldkampioen Spasski, en wat niet al, aan te pas komen om de match te redden. Onder andere.  

Ik moest toch nog wel wat in mijn boekenkast hebben over die match, die de hele wereld  (niet alleen de schakers) in zijn greep had. Ja, het was inmiddels niet alleen een schaakwedstrijd om de wereldtitel, het was  een gevecht tussen de  aartsvijanden van de toenmalige ‘koude oorlog’: de communistische  USSR en de democratische USA. O.a. Donner schreef erover in ‘Dagboek van een tweekamp’.  Helaas kon ik in mijn kast geen boek erover meer vinden! Foetsie. Maar wegens aanstormende herinneringen was mijn interesse wel weer gewekt.

Hoe was het ook al weer? O ja, voor de tweede partij kwam Fischer gewoon zonder bericht niet opdagen. Want zijn nieuwe eisen waren niet ingewilligd. Russische hotemetoten  woedend. Zelfs de Russische Geheime Dienst bemoeide er zich mee. Die wilden  dat Spasski  na zulk onsportief, voor de USSR beledigend gedrag direct naar huis ging. Maar die brusqueerde zijn Russische schaakbonzen en bleef. Wat heel bijzonder was want die konden hun schakers maken en breken. Bijvoorbeeld met een verbod om buiten Rusland aan toernooien deel te nemen. Of hem andere voorrechten ontnemen die sterke schakers in de USSR genoten.  Zou Spasski zijn rug recht houden?  Fischer was kwaad omdat hij een reglementaire nul kreeg voor die partij.  Zou hij naar huis gaan? Heel veel spanning. De minister van defensie van de USA probeerde hem duidelijk te maken dat  nu zelfs de eer van zijn land  op het spel stond. Dankzij  veler bemoeienis ging Bobby Fischer  toch verder. Stond toen  al met 0-2  achter. O ja, want die eerste partij had hij verloren  na wat een voor hem onvoorstelbare blunder leek. Een fout die weinig Aris de Heer-spelers  zullen maken.

Daarover is later ook veel geschreven : Was het niet te simpel om van een blunder te spreken? Was het zijn bedoeling om Spasski psychisch uit zijn doen te krijgen? Was hij zo overtuigd van zijn kracht dat hij zijn formidabele tegenstander kon vernederen door zelfs te winnen na een 0-2 achterstand? Meer details bij Timman? OK, kopen dus dat boek.

Maar dat bleek een kleine misrekening. Ik had de omslag niet goed bekeken. De match tegen Spasski komt niet aan de orde, het gaat om de weg ernaar toe. Het boek behandelt het interzonetoernooi in Palma de Mallorca (met analyses van 17 partijen daarvan) en vooral de drie kandidatenmatches (met analyses van alle 60 partjjen daarvan). De analyses zijn Timmaniaans: dus heel uitvoerig, heel degelijk en dus behoorlijk moeilijk voor simpele amateurs als wij. Ik ben van plan om ze toch allemaal te gaan bekijken. Ik schat dat ik daar drie maanden voor nodig heb. Nu vast een klein voorproefje ervan.

Terzijde : Wel vond ik in mijn kast ‘Schakers Portretten’ van Timman met artikelen over Fischer en over Spasski. Dat er maar even bijpakken. Wellicht heb ik daar nu ook wat aan.

Om kandidatenmatches te  mogen spelen moest Fischer eerst bij de beste 6 eindigen in het interzonetoernooi in Palma Mallorca. Eigenlijk had hij zich hiervoor niet geplaatst. Hij had een tijd alle officiële Fide-toernooien gemeden. Wel veel lokale toernooien in de VS gewonnen. Zelfs een jaar helemaal geen partijen gespeeld. Waarom? Niet duidelijk. Gebrek  aan zelfvertrouwen? Vrees zijn financiële waarde te verlagen na verlies tegen een van die sterke Russen? Ergernis over weigeringen van de Fide om in te gaan op zijn voorstellen tot veranderen van de tot dan gebruikelijke procedures van de cyclus van het wereldkampioenschap.? Het ging bijvoorbeeld om startgeld.  Fischer heeft met zijn ‘moeilijke’ gedrag veel gedaan voor een betere bestaansmogelijkheid van schaakprofessionals. Maar het ging niet alleen om geld.   Een voorbeeld: Al in 1962 had Fischer vier Russen ervan beschuldigd in het kandidatentoernooi onderlinge uitslagen te hebben afgesproken om hem daarmee van een hoge notering af te houden, Dat ontkenden de Russen toen, maar Timman toont aan, dat ze vele jaren later toegaven dat Fischer geiijk had. Fischer wilde het anders : kandidatenmatches van  steeds 2 schakers. Vier kwart-finales,  twee halve finales, één finale. Dan waren dit soort listigheden van de getalsmatig over-vertegenwoordigde  Russen niet meer mogelijk. En hij wilde matches waarin alleen winstpartijen telden. Winnaar was wie het eerst bijvoorbeeld 6 punten had geboekt, Dan kon iemand met een kleine voorsprong niet meer op de zege afstevenen door alsmaar op remise te spelen.

De schaakwereld begreep dat het eigenlijk niet kon, dat het fenomeen Fischer niet mee mocht doen in het interzonetoernooi in Mallorca in 1970.   Die Fischer, die kort daarvoor -eindelijk weer eens bij officiële match aanwezig-  wel bij een match USSR- Rest van de wereld  de voormalige  wereldkampioen Petrosian met 3-1  had verslagen! De wel voor Palma geplaatste  Benkö was zo ongelofelijk vriendelijk om zijn plek  af te staan aan Fischer (tegen een vergoeding), en de Fide accepteerde dat.  Fischer won dit toernooi en daarmee ruimschoots het recht kandidatenmatches te spelen. En nu op de door hem voorgestelde en nu door de Fide geaccepteerde wijze! En dat werd zijn zegetocht naar het wereldkampioenschapl

Veel aandacht heeft Timman voor het interzonetoernooi. Ik kan moeilijk beoordelen wat nieuw is  in Timman’s observaties. Er is veel over geschreven en daar heb ik uiteraard niet  veel van gelezen. Maar ik kan wel  vaststellen dat ik veel van de ‘schaakpraat’ waarmee de analyses omringd worden vermakelijk vind. 

Bijvoorbeeld dat Fischer er in de eerste helft van het toernooi zeer onverzorgd uitzag. ‘Hij was zorgeloos gekleed, ongeschoren, en moest nodig naar de kapper’. Een Russische secundant vroeg aan Timman of Fischer een ‘hippy’ was. “Klaarblijkelijk wisten de Sovjets niet precies wat er voorbij hun wereld gebeurde. Zijn opmerking over Fischers haardracht was eigenaardig. Het was meer dan drie jaar na ‘the Summer of Love’  en lang haar was intussen heel normaal in de wereld. Op de een of andere manier hadden de Sovjets moeite met de generatie van 1960. Toen ik (Timman) mijn eerste Olympiade speelde in Skopje in 1972  hing mijn haar over mijn schouders. Lev Polugajevski naderde onze eerstebord-speler Hein Donner, met de vraag: ‘Timman, is hij een hippy?’  Donner ontkende.  Natuurlijk was Fischer evenmin als ik een hippy. Het trof mij dat halverwege het toernooi Fischer naar de kapper ging. Dat is iets wat ik nooit gedaan zou hebben. Misschien deed Fischer dat op een moment dat zijn kwalificatie zo goed als zeker was. Maar het omgekeerde kan ook het geval geweest zijn: halverwege het toernooi had Fischer een kleine terugval; misschien was zijn bezoek aan een kapper een soort rituele actie om het tij te keren.’

En Timman vermeldt later grappige details van Robert Hübner, naar aanleiding van diens  partij 1, tegen Fischer. De organisatie wilde dolgraag lastpak Fischer in een goed humeur houden. In het begin van de partij kwam dus de arbiter beleefd informeren of Fischer misschien iets wilde eten en drinken.  Die mompelde binnensmonds: ’Drie hamsandwiches en drie kaassandwiches.’ En “vier glazen  sinaasappelsap.” Terwijl Hübner intussen lang over een zet nadacht. Nog terwijl hij dat deed kwam de arbiter met een trolley waarop het uitgebreide assortiment was geëtaleerd. En hij vroeg onderdanig: “Is alles naar wens mijnheer Fischer? Is er verder nog iets dat ik voor u kan doen?’  De toernooileiding wilde er kennelijk alles aan doen om problemen met Fischer te voorkomen. Fischer mompelde iets en begon direct aan de sandwiches. Toen tenslotte Hübner zijn zet had gedaan, vertelt die zelf, was alles  al geconsumeerd! Dus Fischer dronk meer dan zijn legendarische hoeveelheden melk, en moest op dit moment wel erg hongerig geweest zijn. Overigens, Fischer speelde deze partij zeer geconcentreerd en snel, tot de 32e zet, toen hij een stuk verloor in een gunstige positie, door een concentratiestoornis. Aan het eind had hij drie pionnen voor dat stuk, en was niet meer in gevaar te verliezen. Het werd remise.

De schaker die het langst Fischer kon bijhouden was de Rus Efraim Geller. Zeker toen Fischer wat terugviel na ronde 6. In de 12e ronde troffen ze elkaar. Toen bleek dat Geller intussen erg vermoeid was geraakt. Eerst bleek dat toen hij na 7 zetten remise aanbood. Fischer nam zelden vroege remise-aanbiedingen aan. Hij zou iets nu onaardigs gezegd hebben. Iets als: “Ja jullie Russen zijn daar goed in, remise aanbieden als je dat beter uitkomt.” Zichtbaar was dat Geller rood aanliep na Fischer’s  antwoord. En zijn vermoeidheid bleek pas goed na de tijdcontrole toen hij in remisestand het spoor bijster raakte.

Eigenlijk was hierna wel duidelijk dat Fischer het toernooi ging winnen. Dat deed hij, en hoe.  Na al die rondes tegen 23 tegenstanders  won hij met 3,5 punten voorsprong op Larsen en Geller. Het zou de laatste keer zijn dat zoveel schakers, alle toenmalige toppers, in één toernooi een zestal plaatsen in een kandidatentoernooi moesten zien te bemachtigen.

Ik zou veel meer kunnen aanhalen uit dit hoofdstuk maar dit artikel kan toch niet al te lang worden. Ik moet me hier echt inhouden.   Wellicht kom ik er nog eens op terug als ik de analyses van die 17 partijen allemaal  bekeken heb.

Nu nog even een eerste greep uit Timman’s hoofdstuk over de eerste kandidatenmatch met Taimanov. De rest zal volgen in ‘Uit de kast gekomen’ nummer 20.

Dat de loting -na het interzonetoernooi – Taimanoiv als tegenstander van Fischer aanwees was voor de Amerikaan niet ongunstig. Timman geeft verschillende redenen: Taimanov was 14 jaar ouder dan Fischer,  Taimanov kon nooit zoveel aandacht en concentratie opbrengen als Fischer, want hij had niet alleen een schaakcarrière opgebouwd maar was ook nog een gevierd concertpianist! Hij had wel wat recente schaaksuccessen geboekt (o.a. winnaar van het Hoogoventoernooi in 1970) maar aan zijn plaatsing voor het kandidatenvervolg zat wel een luchtje. Zijn partij in Palma tegen Matulovic zou  ‘verkocht’ zijn. Die zou van de Russen $400 hebben ontvangen als hij zijn partij zou verliezen. Dat deed hij. Ten faveure van plaatsing van Taimanov, maar ten nadele van Portisch die dan een half punt tekort zou komen.  Dus Taimanov was zeker niet de sterkste van de vijf tegenstanders tegen wie geloot werd. Daar staat dan tegenover dat Taimanov sterke Russische secondanten bij zich zou hebben en Fischer alleen zou staan. (Een poging om grootmeester Evans als secondant in te huren mislukte, omdat Fischer weer eens extreme eisen stelde en Evans daar niet aan kon of wilde voldoen.) En Taimanov kreeg van ex-wereldkampioen Botwinnik een pakket met aantekeningen van diens voorbereiding op een match tegen Fischer, die tenslotte niet was doorgegaan. Maar toch: de meeste kenners voorspelden een kleine overwinning voor Fischer, behalve Tal die dacht dat Taimanov met klein verschil zou winnen, en Taimanov zelf die ook redelijk optimistisch was. Er was eerst nog gedoe over de plaats waar gespeeld zou worden en Fischers eisen aangaande de financiering, maar zoals gebuikelijk wist FIDE-voorzitter Euwe het allemaal weer op te lossen en op de 16e mei 1971 startte de match. In voor dit soort matches ongebruikelijke, goede atmosfeer. De heren hadden duidelijk geen hekel aan elkaar.

De eerste partij was gelijk boeiend. Taimanov offert een pion , maar heeft voldoende compensatie. Timman  zegt bij zijn zeer uitvoerige analyses ook gebruik te hebben gemaakt van het computerprogramma Stockfish 12, en hij steunt op talloze analyses van vele voorgangers, waaronder Kasparov. Hij is ook niet te beroerd om geregeld al die hulpjes naar de prullenbak te verwijzen en het zelf beter te weten. Het gaat lang gelijk op. Maar zoals vaker valt te constateren in partijen van Fischer (en van Carlsen!?) in een laat stadium maakt de tegenstander een foutje en wint Fischer toch.

Hier het diagram van die situatie

Taimanov zou tenslotte met 0-6 verslagen worden! Sensatie! Meer daarover in de volgende aflevering.

Tot zover het knappe boek van Jan Timman. 

Wordt vervolgd.

De eindcorrectie moet nog plaatsvinden.

Uit de kast gekomen 18

Kondigde de vorige keer aan dat ik zou gaan kijken of er nog meer inspirerends zat in ‘Praatschaak’ van Evert Straat. Dat viel even tegen. Wel leuke verhalen voor mij, maar misschien niet voor u. Namelijk over nog historischer schakers dan die uw  ouwe wepmeester nog in levenden lijve heeft zien optreden.  Maar dan ineens lees ik bijzonderheden over een beroemdheid die ik zelf ook nog heb kunnen bewonderen. Resjevski! ( 1911 – 1992) . In 1953 was hij ver gevorderd op de weg naar het wereldkampioenschap. Hij werd samen met Bronstein en Keres gedeeld 2e in het Kandidatentoernooi. Smyslov won echter dat toernooi en  mocht wereldkampioen Botwinnik uitdagen. Resjevsky? Had ik daar ook niet ooit een boek van in de kast?  Jawel! ‘Zo schaakt Resjevsky.’  Dat moet er ook maar even uit komen. Evert Straat vertelt het een en ander over hem. Dat hij eigenlijk geen professional was. Hij verdiende zijn brood als accountant. Dat hij ‘een zanger met een bronzen bariton’ was en ‘een schitterende schaakmeester, en allereerst een man van karakter, die ongelooflijk sterk in zijn kleine schoenen staat’ . Dat klopt. Ik herinner me zelf nog dat er vaak problemen waren bij toernooien omdat hij als gelovige Jood absoluut weigerde op zaterdag te spelen.  Straat vindt hem wel een ‘eenzame man’, vooral omdat hij bij toernooien altijd alleen is, geen secondanten meeneemt.  Maar er waren nogal eens conflicten waarbij hij vaak gelijk had. Straat: ‘Doch ook in de schaakwereld gaat de stelling op, dat gelijk hebben en krijgen, niet altijd het prettigste is. Samuel Resjevsky heeft ontelbare bewonderaars, geniet de eerbied van iedereen en draagt met gratie en zekerheid de enorme last tegenover de Russen het schaakspel van het westen te moeten verdedigen en allereerst in aanmerking te komen om de wereldtitel uit Moskou terug te halen. Maar veel vrienden heeft hij niet…..’

Ik herinner me dat ik al in 1954 wel het een en ander wist van deze toentertijd  beroemde grootmeester. Bijvoorbeeld dat hij ooit een wonderkind was. Was Beth Harmen in ‘The Queens Gambit’ een gefantaseerd wonderkind, Resjevsky was een echte. Toen hij vier was kende hij alle regels van het schaakspel al. Er bestaat een prachtige foto van hem als achtjarig nogal klein ventje in een matrozenpakje, die een erg groot aantal sterke, erg volwassen schakers in een simultaanscéance staat te kleineren. Ik weet niet of ik deze mag gebruiken. Maar ik waag het er maar op. Weet ook niet waar ik om toestemming moet vragen)

Op internet zocht ik partijen van hem uit die tijd. Er zijn heel veel partijen van hem bewaard uit die periode. Hij werd  door zijn ouders van stad naar stad in Polen en  Duitsland gesleept en later naar Parijs, Londen, Wenen, Berlijn  om in talloze simultaanscéances zijn kunsten te vertonen. Maar hij imponeerde ook door als negenjarige blindpartijen te spelen. Bijv. de volgende:

Resjevski – Griffith  (beiden blindfold)

Ik kies er maar een. Je begrijpt niet hoe zoiets mogelijk is op die leeftijd. Resjevski zegt er zelf over in zijn boek:  ‘Dat werd beschouwd als een voor een kind opmerkelijke  prestatie. Wat mij betrof, vond ik het echter gemakkelijker één partij blind te spelen dan twintig partijen in een gewone voorstelling. Ik had een goed geheugen en kon mij het bord zonder veel moeite voor de geest halen.’ Zijn tegenstander was hier 48 jaar, een sterke schaker, en de medeauteur van een populair schaakboek ‘Modern chess Openings’ (1912). ‘Daar ik volkomen onbekend was met de openingen ‘uit de boeken’ had ik waarschijnlijk zeer geïmponeerd behoren te zijn door de terzake kundige Griffith -maar ik was te jong om me door dergelijke dingen te laten beïnvloeden.’ Griffith mag dan een openingenexpert zijn geweest, in deze partij staat hij na 15 zetten al moeilijk.

Het commentaar is van Resjevski, gecontroleerd en geheel goedgekeurd (!) door prof mr dr K.

Ik hak langere partijen maar in tweeën opdat u het diagram bij de hand houdt als u ze naspeelt!

Resjevski : “Partij 4 tegen Morris Schapiro , is veel belangrijker, daar dit een serieuze partij was tegen een der toenmalige beste spelers van Amerika. Deze partij werd gespeeld ten huize van  Mischa Elman, de bekende violist, die wel aan zijn  eigen loopbaan als ‘wonderkind’ moet hebben gedacht. Op zijn 35e zet tastte Schapiro mis en gaf hij mij de gelegenheid op een merkwaardige wijze de overwinning te behalen.”

Resjevski’s ouders emigreren naar de USA als hij 12 is. Daar treedt hij ook nog enige tijd op als wonderboy. Maar dan krijgen de ouders last met justitie. Ze worden strafbaar geacht omdat ze hun zoon een fatsoenlijke schoolopleiding hebben onthouden. Hij moet naar school.  Voor het eerst in zijn leven, als hij 12 is. Dat moet dan maar. Zijn leerachterstanden haalt hij snel en moeiteloos in, en na zijn middelbare school in 1933 voltooit hij een studie aan de universiteit. Daarnaast uiteraard af en toe een beetje blijven schaken. Daarna volop verder in de schakerij.

Het boek van Reshevski gaat niet verder dan 1946. Hij werd diverse malen kampioen van de VS. Wel jammer dat het boek niet verder gaat, want later heeft hij nog veel toernooien gewonnen of eindigde in de top . Bij Chess Games zijn alle van zijn partijen bij de rubriek ‘Notable Games’ van later datum. Ik kies er eentje uit die niet zo lang is en niet al te strategisch (daar was hij ook goed in) en moeilijk, en  laat zien hoe sterk die man was.

Wat ik ook nog aardig vond in het tweede deeltje ‘Praatschaak’ was de inleiding. Daarin gaat Straat uitvoerig in op een opvatting van de destijds (nog?)   zeer bewonderde historicus Leonard Huizinga. Die  betoogt in een van zijn bestsellers ‘Homo Ludens’ (=de spelende mens) dat de bordspelen Dammen en Schaken  niet ‘ludiek’ zijn , geen ‘cultuurscheppende’ waarde hebben, want geen ‘zichtbare schoonheid’ hebben, slechts ‘verstandelijke berekening’ vertonen. Oei, dat is tegen het zere been van schaakminnaar Straat! Met een aantal citaten zal ik u tonen wat Straat daar tegenin brengt. Ik vermoed dat veel ervan ook u zal aanspreken.

‘Iedere schaker immers, van de slechtste tot de beste, van de beginneling tot de wereldkampioen, weet, hoe ondergeschikt bij alle onmisbaarheid, de verstandelijke berekening in een schaakpartij is.’

………..

‘Iedere schaker weet dat combinaties, strategische plannen, tactische manoeuvres, niet moeizaam uitgerekend maar plotseling geboren worden. Iedere schaker weet hoezeer het karakter van een partij bepaald wordt door het ludieke, de speelsheid, die in de opponenten werkzaam is als ze zich achter het bord zetten, de improvisatie, de lust tot avontuur, en de pret om die speelsheid door te zetten tegen weerstand in.’

………..

 ‘Huizinga heeft de tweekamp om het wereldkampioenschap tussen Botwinnik en Bronstein niet meer beleefd. Hoe zou hij zijn ogen hebben uitgewreven als hij gezien had hoe daarin het avontuurlijke, het speelse en ludieke overheerst. De blijheid van het echte spel en niet verstandelijke berekening aan bod was en twee grootmeesters binnen de grenzen van hun kunst als jonge honden gestoeid en geravot hebben. Het is waarlijk niet moeilijk in de moderne schaakmeester van welke leeftijd of nationaliteit ook, het grote zuivere spelende kind te ontdekken, tot in zijn ijdelheid toe.’

Hier wil ik maar even bij laten. Ik denk trouwens dat de rubriek ‘Uit de kast gekomen’ wel zo’n beetje zijn einde nadert. Ik heb nog genoeg schaakboeken op de plank, maar ik denk niet dat die voor u interessant zijn of zich gemakkelijk laten samenvatten.

Ik vernam van Paul dat er gedacht wordt eind augustus de interne competitie te hervatten. Ik kan dan  weer uw briljante partijen benutten voor het vullen van de website.

Tot die tijd wellicht een nieuwe rubriek:  ‘Mijn  meest memorabele partij”?  U herinnert zich vast nog wel een partij van u, waarin u een prachtig offer bracht, of  waarin uw tegenstander geweldig blunderde toen u verloren stond en u miraculeus ontsnapte, of waarin u zelf verschrikkelijk blunderde en de winst vergooide, of een partij die u vrijwel foutloos voltooide, of een partij waarover u zelf om andere redenen nog steeds trots bent, of waar u uit ergernis absoluut niet meer aan wil denken. Als u mij die opstuurt (in welke vorm dan ook) met licht commentaar,  ga ik die in een nieuwe rubriek benutten.  Ideetje?  U vindt het vast fijn om mij zo een beetje te helpen bij mijn verantwoordelijke werk.

Ik wacht met spanning op uw reacties.

Eindcorrectie moet nog plaatsvinden

Uit de kast gekomen 17

Het kwam niet uit de kast, maar toch ook weer wel. Ik schreef het al bij de vorige aflevering : ik houd van praatschaak. Maar het aardige  ‘Praatschaak’ van Evert Straat ( Ooievaarsreeks, deel 1 en deel 2, uitgave Bert Bakker, 1956) heb ik kennelijk bij een aanval van opruimwoede  ooit uit mijn kast  laten verdwijnen. Maar nu heeft uw illusionist  het weer tevoorschijn getoverd. Geen beeldschone assistente naast me, maar wel een prima hulp, van de firma ‘Schaakboek ‘. Het was gelijk weer een feest.

Straat was een veelzijdig man : hij was advocaat, vertaler van Griekse klassieken en Shakespeare en won daarmee de Martinus Nijhoff-prijs voor vertalers, hij was journalist bij de Volkskrant, o.a. van artikelen over schaken. Hij was zelf ook een vrij sterke schaker. Ik vond een tiental  partijen van hem terug tegen bekende grootmeesters. De meeste verloor hij, maar hij won ook wel eens, bijv. nota bene tegen Euwe!

Bladerend in deel 2, met zijn verslagen van belangrijke toernooien, stuit ik op een serie over Amsterdam 1954. Schok der herkenning! Ik was nog maar net met een beetje serieuzer schaak begonnen. Ik studeerde nog op wat toen nog  de Amsterdamse “Kweekschool voor Onderwijzers” heette.  Nou ja ik studeerde wel een beetje, maar had vooral mijn neus in schaakboekjes. Dat moest ook wel want wegens tekort aan echte schakers werd ik aan het laatste bord gezet van het kweekschoolteam dat enkele sterke veelbelovende jonge clubspelers herbergde. Ik mocht niet al te veel uit de toon vallen. Ik maakte wel vorderingen. Toen het Kweekschoolteam een jaar later eerst schoolschaakkampioen van Amsterdam werd en daarna van Nederland, was ik opgeklommen tot het vierde bord. In 1954 was ik nog lang niet zo ver, maar ik kende wel al namen van toenmalige  beroemdheden. Dus ik keek mijn ogen uit in de Apollohal, waar de Schaakolympiade 1954 georganiseerd werd. Die zou oorspronkelijk plaatsvinden in Argentinië, maar dat lukte daar om financiële redenen niet. Half juli werd dat, rijkelijk laat, door de Argentijnen medegedeeld.  Het werd een  huzarenstukje  van Lodewijk Prins (ja die van ‘Uit de kast 15’) , die vond dat het dan maar in Amsterdam moest gebeuren. Hij had twee maanden! Stel u voor. 26 landenteams, elk met 5 of 6 spelers  De financiën  voor elkaar krijgen, hotelkamers reserveren, contact met deelnemende landen, materiaal en geschikte ruimte reserveren, enz. , enz.   Hij fikst het! Ik woonde er om de hoek.  Het was het eerste schaaktoernooi dat ik bezocht. Er zouden er nog ontelbare volgen.

Straat schrijft erover en ik herken het nu nog allemaal.  Ik zag Najdorf, Euwe, Botwinnik , enz, enz. in het wild. Het was er bomvol. Ik lees bij Straat dat er 1700 bezoekers waren. Ik was er op de avond dat Nederland tegen  Rusland moest. Straat: “Intussen zat en stond men vanavond in de Apollohal rijen en rijen dik; bij de demonstratieborden werd ook op de grond gezeten en het kostte veel techniek en combinatievermogen om te weten te komen wat er gebeurde.”  Ik had dat duidelijk niet in huis Het was zo druk dat ik de demonstratieborden niet kon bereiken, en van de partijen helemaal niets zag. Over de koppen van toeschouwers heen kon ik nog net de hoofden zien van de langere mannen Donner en Euwe toen ze hun tegenstanders de hand schudden. Van Prins en Cortlever zag ik niets, want die zaten achter hun bord.  Toch was het leuk. Heel erg spannend namelijk. De USSR was in die tijd de absolute heerser over het schaakleven. Schaken was daar een schoolvak. Ze bezaten tientallen supergrootmeesters. Elke uitgezonden Russische schaker kon een toernooi winnen. Ook als wij zijn naam nog nooit gehoord hadden.  Rusland  had dus al vijf keer zo’n Olympiade gewonnen. En dat vond de USSR belangrijk. Nu ook weer. In de Apollohal zaten dus de allergrootsten: Botwinnik, Smyslov, Keres, Bronstein, Kotov. Ik wist: in eerdere ronden hadden ze met 4-0  of zoiets tegenstanders vermorzeld. Hoe gingen de  Nederlanders het eraf brengen?  Ik zag niets, maar hoorde wel het opgewonden gezoem in het publiek. Gelukkig kan ik nu alsnog bij Straat preciezer lezen wat er gebeurde: Dat volgt hier:

 “Om zeven uur was het duidelijk, dat er aan geen van hun borden een ongeluk was gebeurd. Men stond tegen de keur van het Russische meestersgilde voorlopig niet slecht. Euwe behandelde met zwart een Nimzowitsch-normaalstelling zorgvuldig, Donner hield een Nimzo-Indisch, variant Dc2 en d5, in evenwicht, Cortlever had kleine moeilijkheden in een Schlechter-variant van de Slavische partij tegen Bronstein, en Prins kreeg tegen Kotov in een Pirc- opening goed spel. Er was geen tijdnood, in onverstoorbare rust zat de Nederlandse ploeg achter de borden en Cortlever hapte al spelende smakelijk in een appel. Dat het een zure zou worden kon hij toen nog niet weten. De eerste werkelijke gebeurtenis -zoiets waarvan in een toernooizaal onmiddellijk de temperatuur stijgt-  was een pionoffer van Euwe op de 21ste zet.  Wat kreeg hij daarvoor? Druk op de d-lijn. Meer konden we niet ontdekken. Stelselmatig begon de wereldkampioen Botwinnik die druk te neutraliseren en al stond Euwe op dit moment zonder twijfel best, hij was een pion achter…. Donner had intussen de dames geruild en hoefde zich in het eindspel dankzij sterke paarden over zijn geïsoleerde d-pion niet al te veel zorgen te maken. Cortlevers moeilijkheden groeiden helaas zienderogen maar Prins kreeg voortreffelijk spel: een gat op f5 verlamde de stoere Kotov in zijn bewegingen. Even later viel de eerste beslissing: Smyslov winnaar van het kandidatentoernooi van verleden jaar, gelijke van de wereldkampioen in de titelmatch, bood tegen Donner remise aan. De Nederlander had geen enkele reden dat aanbod te weigeren en zo oogstte onze ploeg het eerste halve puntje. Een half uur later was het ook in de partij Botwinnik- Euwe zover. Juist toen Euwe aanstalten maakte te bewijzen dat zijn stelling werkelijk zeer goed was, ondanks de pion achter, stelde de wereldkampioen voor het punt maar te delen. Opnieuw was er geen reden zulks af te slaan; het risico door te spelen op winst was niet gerechtvaardigd. Wonderlijk was dat toen Euwe de remise accepteerde een luid applaus door de zaal klaterde. Dat huldebetoon maakte de indruk dat men onze oud-kampioen, wiens kracht nog altijd enorm is,  zowaar gaat onderschatten. Met twee remises tegen Rusland was intussen onze kans op een tweede plaats geweldig gestegen. Zat er nog meer in de Nederlandse ploeg? Welnu, het bleek meer en meer dat Prins de grote Kotov in een uiterst moeilijke stelling had gemanoeuvreerd. Cortlever stond langzaam op verlies. Bronstein snoerde hem met geraffineerde manoeuvres in, drukte hem dood, zoals dat heet, maar Prins had beslist winstkansen. En toen Cortlever tenslotte op moest geven, wisten we met zekerheid dat Prins niet zou verliezen en waarschijnlijk voor compensatie van de eerste Nederlandse nul zou zorgen. De opwinding bereikte daarmee tegen 22:30 een hoogtepunt. Te weten te komen wat er bij Prins-Kotov gebeurde, werd steeds moeilijker – en het ging tenslotte om een pionneneindspel waarin alle motieven van deze zo broze stellingen -verst verwijderde vrijpion, oppositie, tempo, en driehoekje mee klonken-  en dan moet men precies weten hoe de stelling is. Nog op het laatst was er verschil van mening of een pion van Prins nu op a2 dan wel op a3 stond, wat van grote betekenis kon zijn.  Maar toen dan Kotov met een meer dan somber gezicht zijn zet insloot (ES: in die tijd werd een partij laat op de avond afgebroken met een afgegeven zet in een enveloppe, die bij het hervatten pas werd geopend.) ging het gerucht door de zaal dat Prins gewonnen stond. Dat werd toegegeven door Lilienthal die in dit eindspel als secondant niets meer te analyseren zag. Het werd bewezen door Van Scheltinga.  Maar we zullen pas gerust zijn als we de 1 van Prins tegen Kotov veilig als een turf op de tabel zien staan. “

“Het wordt twee-twee. Een prestatie die eerbied afdwingt. Die de Nederlandse ploeg tot één van de sterkste van het toernooi stempelt. Dat geeft moed en zelden heb ik drommen mensen met zo stralende gezichten en eindeloos geduld voor een vestiaire zien staan Er werd druk uit het hoofd geanalyseerd. “Prins had de oppositie”  “Kotov ging voor het blok” . Het schaakjargon bloeide en bewees in allerlei vormen zijn plastische kracht.”

Ik wist nu al weer meer dan ik me kon herinneren. Maar in deze mooie moderne tijd kun je nog dichter bij het verleden komen. Zowat de hele schaakhistorie ligt opgeslagen in digitaal te benaderen partijen. Ik zoek en vind de partij met het vraagteken van Euwe en de partij met het uitroepteken van Lodewijk Prins. Eens kijken of Evert Straat de werkelijkheid respecteerde of geweld aandeed. Even vragen aan prof.mr dr K. wat hij ervan vindt.

Ja, Straat heeft het goed, hij verzint niks.

Wel denk ik na het bekijken van de analyse:  Was superkampioen Botwinnik (die naam alleen al) vanavond niet in zijn beste bui, of speelde Euwe nu zo geniaal?  Prof. mr dr K. vindt ook dat het pionoffer van prof. dr Euwe wel correct is. Bij de eindstand heeft Botwinnik niks meer. Overigens begrijp ik niet echt hoe Euwe als hij het offer brengt zoiets al ziet. Het zal wel een grotere manoeuvreermogelijkheid voor zijn stukken zijn. Ik begrijp wel waarom aan het eind de stand gelijk is.  Door de actieve toren dreigt zwart ook weer een pion terug te winnen.

De partij van Lodewijk Prins gaat mijn schaakmogelijkheden nog veel verder te boven. Hoe kom je ertoe om je loper aan de rand van het bord  met g4 op te sluiten? Het lijkt dan net zo’n zielig, machteloos wezen als dat malle paard op h8, maar als die weg wil kan dat nog, maar die loper? Dat ook Prins verder meer mogelijkheden voor zijn stukken heeft, dat zie ik wel. Maar dat je dan vooruit ziet dat je zo dit eindspel kan winnen? En ja, het zit er allemaal in : oppositie, tempo-driehoekjes, de andere koning op zijn weg belemmeren, de positie van de koning.

Tabe Bas, een in Amsterdam bekende acteur, zanger en schaker, een keertje open kampioen van Nederland, vriend van velen, o.a. van Donner. Ik herinner me nog wat die me ooit eens bij hem thuis  vertelde, toen ik als twintigjarige beginner daar met hem een potje mocht schaken. Hij had hij veel rapid met Prins gespeeld, zei hij, en hij kwam bijna  altijd goed weg. Tot het eindspel. Dan werd hij steeds op mysterieuze wijze weggespeeld.  ‘Tegen Prins zijn eindspeltechniek ben je machteloos’ vond hij. Nou u kunt daar in het volgende  potje wel een indruk van krijgen.

Eens even kijken of ik nog meer kan vinden dat me inspireert. Nou dat duurt niet lang. Er is genoeg. Mijn aandacht wordt getrokken door een artikel waarin het woord Colle voorkomt. In mijn laatste actieve periode in Aris de Heer speelde ik dat geregeld. Ik won er veel mee. Vooral in de externe. Er zijn twee mogelijkheden: de ouderwetse Colle van Colle himself, en de vernieuwde Colle van Zuckertort en Koltanowski. Dat laatste speelde ik. Ik zag het Ron ook een paar keer spelen, maar hij keek ook naar de echte oude Colle-opstelling.  Alleen Frank had het door, waarschijnlijk intuïtief, hoe hij het minder prettig voor me kon maken. Met een heel vroeg Lb7!  Dat werd dus remise.

Dit artikeltje van Straat is dus ook leuk voor mij. Wat heeft Straat over Colle te melden?

“Van kwaad tot erger daaraan moest ik denken, toen ik dinsdagavond in de Apollohal een partij volgde, waarvan ik de acteurs voorlopig verzwijg. Door een misverstand tussen pers en publiek dat uit  kranten begrepen had dat die avond niet gespeeld werd , doch had vergeten dat er behalve een winnaarsgroep ook nog een classificatie-toernooi aan de gang was. De radio werd te hulp geroepen en tegen 9 uur pm was de opkomst redelijk. Hoeveel men mist als men in een landentoernooi de staart negeert, bleek wel weer vanavond. Een Ier van formidabele kracht opende tegen een beroemde Fransman met d4, en gaf met zijn volgende zetten te kennen dat hij het Colle-systeem wilde proberen.

De Belg Edward Colle was tussen 1923 en 1935 een der sterkste van de toenmalige meesters geworden, met een zeer originele stijl (waarvan onder andere onze Euwe menigmaal last heeft gehad) en die slechts door een hardnekkige maagkwaal, waaraan hij tenslotte bezweek, verhinderd werd tot de allerhoogste regionen door te dringen. Colle was in Nederland in die jaren geliefd als weinig buitenlandse meesters. Toen hij stierf had hij de schaakliteratuur verrijkt met vele fraaie partijen en met een vernuftig openingssysteem, dat nog altijd zijn naam draagt. De Ier wilde dus Colle, maar de Fransman had er geen zin in. Laat ik even de partij achter elkaar noteren, het zijn maar 23 zetten.”

Hij geeft er geen commentaar bij. Ik geef hieronder dus het commentaar van Prof. Mr Dr K.,  ingepakt in mijn omslachtiger taalgebruik, met ook nog een beetje wijsheid van mijn eigen zelvers.

Onbekende – Anonymus,    1954

Ik vind dat die Fransman terecht beroemd is, want die is af en toe mooi bezig. Maar die Ier mag dan ‘formidabele kracht’ hebben, daar krijgen we hier niet veel van te zien. We zien wel dat je bij de Colle er niet op hoeft te rekenen dat je in de opening gemakkelijk beter spel krijgt. Je moet het hebben van later in de partij tactische mogelijkheden.

Ik wil het hier maar even bij laten. Ik was het eerst niet van plan, maar misschien komt er nog een tweede aflevering bij ‘Schaakpraat’. Even kijken of ik nog meer vind dat me inspireert. In ieder geval tot kijk.

Eindcorrectie moet nog plaatsvinden.